AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de toepassing van fictie bij thuiswerkdagen in het kader van de belastingverdragen met België en Duitsland. Het besluit verduidelijkt dat de fictie alleen van toepassing is op het eerste lid van het artikel voor niet zelfstandige arbeid en niet doorwerkt naar het tweede lid, wat gevolgen heeft voor de belastingheffing in Nederland.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Onderwerp:** Coronaovereenkomsten met België en Duitsland. Werkt fictie thuiswerkdagen door naar lid artikel niet zelfstandige arbeid.
**Datum ontvangst:** KG februari 2021
**Naam:** ktr
**Vraagsteller:**
**Behandelaar:** KG 2e
**Kortgesloten met:** FJZ en IZV 10 februari 2021
**Datum naar secretaris:** februari 2021
**Vraag:**
In de overeenkomsten met België en Duitsland in het kader van de Covid-19 gezondheidscrisis van respectievelijk 30 april 2020 en april 2020 is voor de thuiswerkdagen opgenomen dat voor de toepassing van het eerste lid van het artikel voor niet zelfstandige arbeid in de belastingverdragen een fictie mag worden toegepast. Hoe werkt deze fictie door voor de toepassing van het lid van het artikel voor niet zelfstandige arbeid? Bijvoorbeeld als een werknemer die in België of Duitsland woont en voor een aldaar gevestigde formele werkgever gedetacheerd is naar Nederland.
De in de vraag genoemde overeenkomsten met België en Duitsland van respectievelijk 30 april 2020 en april 2020 zien voor het onderdeel over de thuiswerkdagen uitsluitend op de toepassing van het eerste lid van het artikel voor niet zelfstandige arbeid. Voor de toepassing van het tweede lid van dat artikel moet getoetst worden of de werknemer feitelijk werkt voor een materiële werkgever of een vaste inrichting in het werkland, dan wel in het werkland fysiek meer dan 183 dagen heeft verbleven.
De overeenkomsten met België en Duitsland van respectievelijk 30 april 2020 en april 2020 gaan bij punt in op de behandeling van dagen dat een werknemer thuiswerkt ten gevolge van de Covid-19 gezondheidscrisis. Kort gezegd is opgenomen dat een werknemer voor de thuiswerkdag kan kiezen of hij in afwijking van de reguliere verdragstoepassing de thuiswerkdagen toerekent aan de werkstaat. Hij wordt dan geacht in het werkland gewerkt te hebben voor zover hij de werkzaamheden in het werkland zou hebben verricht als de Covid-19 pandemie niet had plaatsgevonden.
Het onderdeel over de thuiswerkdagen ziet op de toepassing van het eerste lid van het artikel over niet zelfstandige arbeid van het Verdrag art. 14 belastingverdrag met Duitsland 2012 en art. 15 belastingverdrag met België 2001. De vraag ligt voor of de overeenkomst ook gevolgen heeft voor de toepassing van het tweede lid en dan met name voor de toepassing van de 183 dagen bepaling lid ond. Dit is van belang bijvoorbeeld in de situatie dat een inwoner van België voor een Belgische werkgever wordt gedetacheerd naar Nederland. Stel deze werknemer werkte hier voor de gezondheidscrisis meer dan 183 dagen niet voor een materiële werkgever, maar ten gevolge van de gezondheidscrisis verricht hij zijn werkzaamheden thuis in België en werkt hij in 2020 minder dan 183 dagen in Nederland. Tellen de in België gewerkte thuiswerkdagen mee voor de vraag of de in het andere land gewerkte dagen het totaal van 183 dagen te boven gaan?
De overeenkomst ziet uitsluitend op het eerste lid van art. 15. Voor de toepassing van het eerste lid kan gebruikgemaakt worden van de in de overeenkomsten beschreven fictie. Die keuze werkt niet door naar het tweede lid. De tekst van de overeenkomst laat dat niet toe. Gevolg is dat los van de toepassing van lid voor de toepassing van lid beoordeeld moet worden of in het werkland sprake is van een materiële werkgever, een vaste inrichting of in het werkland fysiek meer dan 183 dagen verblijf is geweest.
Het gevolg van dit uitgangspunt is dat in de genoemde situatie betrokkene in het jaar 2020 niet belast is in Nederland omdat hij feitelijk minder dan 183 dagen in Nederland verblijf heeft gehad en in Nederland geen sprake is van een materiële werkgever of een vaste inrichting. De werknemer voldoet aan de voorwaarden van lid en valt het heffingsrecht toe aan het woonland.
Als een werknemer in België thuiswerkt voor een Belgische werkgever en de Nederlandse opdrachtgever kan aangemerkt worden als een materiële werkgever voor de toepassing van lid ond van het artikel voor niet zelfstandige arbeid, dan leidt de fictie van lid er wel toe dat de thuiswerkzaamheden in België, voor zover zonder de gezondheidscrisis in Nederland zou zijn gewerkt, in Nederland belast zijn. In deze situatie voldoet de werknemer niet aan de voorwaarden van lid en valt het heffingsrecht toe aan het werkland.
Geef een reactie