1770436

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt behandeld of de loonnorm voor de 30 regeling moet worden toegepast op het loontijdvak waarin de tewerkstelling eindigt of op het daaropvolgende tijdvak. De ruling concludeert dat de inhoudingsplichtige de keuze heeft om de loonnorm te herrekenen op basis van beide periodes.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Kennisgroep IBR IB niet winst LB formulier vragenregistratie**

**Onderwerp:** Loonnorm 30 regeling bij einde tewerkstelling
**Datum ontvangst KG:** 22 januari 2020
**Naam ktr vraagsteller:** GO Eindhoven
**Behandelaar KG:**
**Datum naar secretaris:** 24 augustus 2020

Moet in het kader van de 30 regeling bij het bepalen of voldaan wordt aan de eis van de specifieke deskundigheid in het jaar waarin de tewerkstelling wordt beëindigd de loonnorm toegepast worden voor:
– de periode tot en met het loontijdvak waarin de tewerkstelling is geëindigd of
– de periode tot en met het loontijdvak volgend op het loontijdvak waarin de tewerkstelling is geëindigd.

**Antwoord:**
De inhoudingsplichtige mag kiezen of hij herrekent rekening houdend met periode of periode.

**Beschouwing:**
Achtergrond van de vraag:
Om in aanmerking te komen voor de 30 regeling moet een werknemer onder andere specifieke deskundigheid bezitten. Deze specifieke deskundigheid wordt op grond van artikel 10eb UBLB 1965 in beginsel beoordeeld aan de hand van de hoogte van het loon in de zin van paragraaf van de Wet IB 2001. Indien dit loon meer bedraagt dan een bepaald bedrag, de loonnorm, bezit de werknemer specifieke deskundigheid. De loonnorm betreft een toets op kalenderjaarbasis waarbij het exacte bedrag jaarlijks wordt aangepast. Voor het jaar 2020 bedraagt de norm 38.347. Indien de tewerkstelling van een werknemer niet het gehele kalenderjaar duurt, moet het loon naar tijdsgelang herleid worden. Dit laatste volgt uit het feit dat artikel 10eb lid UBLB 1965 spreekt over een loonnorm op jaarbasis.

Op basis van artikel 10ec UBLB 1965 eindigt de looptijd van de 30 regeling op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin de tewerkstelling is geëindigd. De maximale looptijd bedraagt echter vijf jaar.

**Vraagstelling:**
Door een werkgever is de vraag gesteld of een werknemer tot het einde van de tewerkstelling of tot het einde van de looptijd specifiek deskundig moet zijn. In de voorgelegde casus is de tewerkstelling van de werknemer per 30 april geëindigd. Moet in deze situatie de loonnorm berekend worden over de maanden januari tot en met april of januari tot en met mei? Met andere woorden, dient het loon in de zin van paragraaf van de Wet IB 2001 van deze werknemer ten minste 12.783 te bedragen, zijnde 12% van het bedrag op jaarbasis van 38.347, of ten minste 15.978, zijnde 12% van het jaarbedrag?

**Relevante passages uit het UBLB 1965:**
De term looptijd komt op enkele plekken in de regelgeving voor.
Artikel 10e UBLB 1965: looptijd is de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is. Dit betekent ook dat als de werknemer een andere dienstbetrekking heeft aanvaard in Nederland of elders, het loon uit die dienstbetrekking ook meetelt; dit is immers loon in de zin van paragraaf Wet IB.

De wettelijke basis voor deze aanpassing is te vinden in artikel 10eb lid UBLB 1965. De werkgever rekende altijd inclusief extra tijdvak; de herrekende loonnorm was daardoor hoger. Omdat in het verleden bij deze werkgever echter alleen mensen met zeer forse salarissen gebruik maakten van de 30 regeling, had dat geen effect omdat de werknemers zonder uitzondering aan de loonnorm voldeden. Meer recent worden ook mensen met lagere salarissen in dienst genomen en gaat de berekeningswijze wel van invloed zijn.

**Toepassing regelgeving op casus:**
Op basis van de tekst van artikel 10e en artikel 10ec in combinatie met 10ee UBLB 1965 zou geconcludeerd kunnen worden dat de werknemer tot het einde van de looptijd specifiek deskundig moet zijn, dat wil zeggen tot en met het extra loontijdvak indien dit laatste van toepassing is. Dit standpunt heeft, afhankelijk van de hoogte van het loon en het moment van betaling, wel een keerzijde. Het risico dat de werknemer de 30 regeling verliest neemt namelijk toe, met name indien de werknemer om wat voor reden dan ook geen nabetaling of eindafrekening geniet, terwijl hij in het extra loontijdvak evenmin regulier loon geniet.

Voor de beantwoording van de vraag is echter ook van belang naar de achtergrond van het extra loontijdvak van artikel 10ec UBLB te kijken. Hierbij moet onderkend worden dat het in bepaalde situaties tot de looptijd rekenen van het extra loontijdvak van artikel 10ec UBLB volgens de parlementaire geschiedenis bedoeld is om werkgevers en werknemers de gelegenheid te geven om op een nabetaling of eindafrekening uitbetaling opgebouwd vakantiegeld, bonus, verlofdagen etc. de bewijsregel toe te passen. Het extra tijdvak op grond van artikel 10ec UBLB heeft daarmee meer het karakter van een goedkeuring dan dat het iets zegt over de periode waarbinnen aan specifieke deskundigheid en daarmee de loonnorm voldaan moet worden.

Afgepeld werkt de tekst van artikel 10ec UBLB 1965 als volgt uit op de duur van de looptijd:
– Tewerkstelling langer dan vijf jaar: vijf jaar
– Tewerkstelling exact vijf jaar: vijf jaar
– Tewerkstelling jaren en 11 maanden: vijf jaar
– Tewerkstelling korter dan jaren en 11 maanden: duur tewerkstelling plus een loontijdvak

Hieruit kan worden afgeleid dat de hoofdregel is dat de looptijd van de regeling maximaal vijf jaar is. Bij een tewerkstelling van vijf jaar of langer wordt de looptijd dus niet verlengd met een extra loontijdvak om zo de regeling te kunnen toepassen op een eindafrekening. Ook in geval de tewerkstelling exact vijf jaar duurt, eindigt de regeling dus exact bij einde tewerkstelling.

**Conclusie:**
Gelet op de verschillende hierboven genoemde argumenten concludeert de kennisgroep dat bij herleiding van de loonnorm het coulancetijdvak meegenomen mag worden, maar dat de regelgeving dit niet dwingend voorschrijft. Zo redenerend kan de inhoudingsplichtige er dus voor kiezen de loonnorm toe te passen herrekend naar de periode van de tewerkstelling zonder rekening te houden met het additionele afrekentijdvak, maar kan hij er ook voor kiezen om dit additionele tijdvak wel mee te nemen bij het herrekenen van de loonnorm.

In het voorbeeld betekent dit dus dat de loonnorm herrekend mag worden naar de periode januari tot en met 30 april; de periode mei tot en met 31 mei blijft hierbij buiten beschouwing. Indien de inhoudingsplichtige hiervoor kiest, dient in de voorgelegde casus het loon ten minste 12.783 te bedragen. De inhoudingsplichtige kan echter ook ervoor kiezen om de loonnorm te herrekenen naar de periode januari tot en met 31 mei; dan dient het loon ten minste 15.978 te bedragen.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *