AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de gevolgen van de Brexit voor inwoners van het VK met betrekking tot de kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Het besluit concludeert dat inwoners van het VK na de Brexit niet langer als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen kunnen worden aangemerkt, maar dat zij in bepaalde gevallen gelijk behandeld worden als binnenlandse belastingplichtigen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Publicatiedatum**
04 2019
**Geldigheidperiode**
Kennisgroep
IBR IB niet winst LB
**Categorie**
Wet IB
**Rubriek**
buitenlandse belastingplicht
**Sub rubriek**
kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
**Gerelateerde wet en regelgeving**
Kan art 21 bis lid UBIB worden toegepast indien het VK de Europese Unie zonder deal verlaat?
Ja, dat kan. Omdat er geen precedent is, kan in het geval van een harde Brexit de situatie van een inwoner van het VK enkel worden vergeleken met die van een inwoner van Nederland die migreert naar een land buiten de landenkring. Door toepassing van art 21bis lid UBIB worden beide situaties gelijk behandeld en is er geen strijd met het EU-recht.
Als het VK op 29 maart 2019 met een no deal de EU verlaat, vervallen voor inwoners van het VK de verkeersvrijheden uit de Europese verdragen. Dit heeft gevolgen voor de op deze verkeersvrijheden gebaseerde regeling van de kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Vanaf de Brexit valt het VK buiten de landenkring van art lid IB. Inwoners van het VK kunnen daarmee geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (KBB) meer zijn. Art lid IB geeft echter de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur personen die niet aan de voorwaarden van art lid IB voldoen toch als KBB aan te merken. Deze algemene maatregel van bestuur is het uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting (UBIB). In art 21 bis UBIB zijn de uitzonderingsbepalingen opgenomen; het 2e lid luidt:
Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden bedoeld in onderdeel of onderdeel en het slot van de eerste volzin van artikel zesde lid van de wet, en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES-eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES-eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
Op grond van een letterlijke lezing van deze bepaling zouden inwoners van het VK over de eerste maanden van belastingjaar 2019 nog als KBB kunnen worden aangemerkt, als zij over het gehele jaar bezien voldoen aan het geheel of nagenoeg geheel 90% criterium. Deze bepaling is echter niet specifiek voor de Brexit-situatie geschreven; de bepaling is geschreven voor belastingplichtigen die migreren, die actief buiten de landenkring gaan.
De bedoelde voorwaarden zijn geheel of nagenoeg geheel criterium, al dan niet tezamen met de partner en de inkomensverklaring.
Het voorgaande blijkt ook uit de onderstaande passage uit de parlementaire behandeling:
Artikel 21bis tweede lid van het UBIB 2001 regelt dat buitenlandse belastingplichtigen die slechts een deel van het jaar binnen de landenkring van de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen wonen, maar wel over het gehele kalenderjaar bezien hun gehele of nagenoeg gehele inkomen in Nederland verdienen, voor dat deel van het jaar worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Dat betekent dat die belastingplichtigen niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen gedurende het deel van het jaar dat ze niet binnen genoemde landenkring wonen.
Met deze wijziging worden buitenlandse belastingplichtigen die gedurende het kalenderjaar in een land buiten de landenkring gaan wonen en die vergelijkbaar zijn met binnenlandse belastingplichtigen, namelijk omdat ze in het betreffende kalenderjaar hun gehele of nagenoeg hun gehele inkomen in Nederland verdienen, hetzelfde behandeld als binnenlandse belastingplichtigen die gedurende het kalenderjaar in een land buiten de landenkring gaan wonen.
De vraag komt op of het feit dat de belastingplichtige niet daadwerkelijk migreert, maar door de Brexit buiten de landenkring komt te wonen, aanleiding geeft tot een andere behandeling. De kennisgroep is van mening dat, hoewel er voor de Brexit-situatie geen direct precedent is, er geen aanleiding is een uitzondering te maken. De in de laatste zin van de hiervoor geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis gemaakte vergelijking tussen een buitenlandse belastingplichtige en een inwoner is ook in deze situatie de juiste.
Een inwoner van het VK maakt enkel voor het eerste deel van het jaar gebruik van het vrije verkeer. De enige mogelijke vergelijking die in die situatie met een inwoner gemaakt kan worden, is die met een inwoner die migreert naar een land buiten de landenkring. Deze belastingplichtige krijgt voor het binnenlandse deel een behandeling als inwoner, vergelijkbaar met het regime voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, en voor het buitenlandse deel een behandeling als reguliere buitenlandse belastingplichtige. Door de toepassing van art 21 bis lid UBIB worden beide groepen gelijk behandeld.
Onderzocht is of er in de jurisprudentie gewezen over de toetredingen tot de EU aanwijzingen te vinden zijn; deze zijn echter niet gevonden. Het grootste deel van de over dit onderwerp gewezen jurisprudentie ziet op tewerkstellingsvergunningen; op dit terrein speelt geen deeljaarproblematiek.
Geef een reactie