1770290

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de fiscale gevolgen van een dubbele woonplaats voor een Nederlander die in Turkije werkt. De ruling concludeert dat het Turkse inkomen vrijgesteld kan worden van belasting in Nederland, mits de juiste bepalingen van het belastingverdrag worden toegepast.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Kennisgroep IBR IB niet winst LB formulier vragenregistratie**
**Gevolgen toepassen tie breaker verdragen**
**Definitieve versie**

**Onderwerp**
**Datum ontvangst KG**
**Naam ktr**
**Vraagsteller**
**Behandelaar KG**
**Datum naar secretaris** 29 oktober 2018

**Vraag**
**Feiten**
Belanghebbende, een Nederlander, heeft een in Nederland gevaagde en afgeronde opleiding als piloot van een verkeersvliegtuig. Belanghebbende woonde tijdens zijn opleiding in het ouderlijke huis. Zijn ouders en broers en zussen wonen allen in Nederland. Hij is een jonge vrijgezelle twintiger. Hij krijgt na de voltooiing van zijn opleiding een contract aangeboden om te gaan werken voor een Turkse vliegmaatschappij. In eerste instantie krijgt hij een tijdelijk contract aangeboden vanuit de standplaats Antalya. Vervolgens krijgt hij een contract voor onbepaalde duur aangeboden vanuit de standplaats Istanbul. Belanghebbende huurt in Turkije eerst in Antalya, daarna in Istanbul, een appartement. Hij is daar lid van een sportschool. Heeft een Turkse bankrekening afgesloten. Doet ook de nodige uitgaven vanaf deze Turkse bankrekening. Naast hemzelf zijn nog enkele andere Nederlandse collega’s werkzaam bij deze maatschappij. Hij trekt in Turkije met deze Nederlandse collega’s op. Na ruim een jaar krijgt belanghebbende een baan aangeboden bij [GEANONIMISEERD]. Vervolgens gaat hij vliegen voor [GEANONIMISEERD]. Daarom gaat hij in Amsterdam een appartement huren. Er heeft een woonplaatsonderzoek plaatsgevonden. Daaruit volgt dat belanghebbende regelmatig terugkeert naar Nederland om zijn ouders, familie, vrienden, etc. te bezoeken. Een verlenging van zijn vliegbrevet wordt in Nederland behaald. Er zijn ook op vrij regelmatige basis pinbetalingen in Nederland vast te stellen (restaurantjes, kleding, cadeautjes, tanken, uitgaan, etc.). Uiteindelijk zoekt en aanvaardt hij een baan bij een Nederlandse vliegmaatschappij. Daarnaast zien we ook allerlei betalingen vanaf zijn Turkse rekening (sportschool, betaling huur appartement, kleding, voeding, uitgaan, etc.).

**Woonplaats inwoner van beide Staten**
Belanghebbende heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor de toepassing van de Turkse fiscale wetgeving als binnenlands belastingplichtige wordt aangemerkt. Wij hebben voldoende gegevens om te stellen dat hij ook in Nederland woont (art. AWR). Kortom, er is sprake van een dubbele woonplaats. Dat betekent dat we toekomen aan de tie breaker van artikel tweede lid van het verdrag. Uiteindelijk komen we uit bij onderdeel b: de plaats waar hij gewoonlijk verblijft. Vastgesteld is dat hij, mede gezien zijn Turkse dienstbetrekking, vaker in Turkije is dan in Nederland. Voor verdragstoepassing moet dan ervan uit worden gegaan dat belanghebbende in Turkije woont.

**Vraag**
Voor zover kan worden nagegaan staat er geen Nederlandse auto op zijn naam geregistreerd. Dat is pas vanaf dat hij in Amsterdam is komen wonen. Blijkbaar heeft hij een auto geleend, gehuurd, gebruikt en heeft deze getankt. Men kan eventueel discussiëren of het verblijf bij zijn ouders aangemerkt moet worden als een duurzaam verblijf. In het OESO-commentaar wordt gesproken over "owning or possessing home" en dat deze permanent moet zijn. Hij moet het arranged en retained for permanent use. Wel wordt het uitgebreid dat het concept van "home" iedere vorm van home kan zijn: house, apartment of rented furnished room, misschien dus een kamer in het ouderlijk huis. Al vraag ik me dus af of een kamer bij zijn ouders onder deze omschrijving te scharen is. Het is niet dat hij deze woonruimte zelf arranged en retained heeft voor zijn permanent use. Hij logeert slechts bij zijn ouders. Om deze casus ook van toepassing te laten zijn op andere casussen wordt uitgegaan van het aanwezig zijn van duurzaam verblijf.

**Hoe moet worden omgegaan met het Turkse inkomen in de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting als door de toepassing van de tie breaker Nederland de “verliezende” Staat is?**
**En welke gevolgen heeft dit voor het reeds opgebouwde restant PGA?**

**Antwoord**
We passen eerst de nationale wet toe, waarna het verdrag de heffing beperkt overeenkomstig de voorkomingsbepalingen. Dit resulteert in een objectvrijstelling voor de buitenlandse bronnen. Als Nederland de verliezende staat is, dan halen we het Turkse inkomen uit de heffingsgrondslag. Dit gaat echter niet zover dat dit vrijgesteld inkomen vervolgens doorwerkt naar heffingskortingen, drempels, etc. Voor de heffingskortingen, drempels, etc. wordt het vrijgesteld inkomen wel in aanmerking genomen. Het reeds opgebouwde PGA blijft dan gewoon in stand.

**Beoordeling**
In de afweging zijn de volgende mogelijkheden besproken:

**Optie 1**
Als inwoner van Nederland dient hij zijn wereldinkomen aan te geven. Dat betekent dat het Turkse inkomen tot zijn box inkomen behoort. Op grond van het verdrag kan Nederland niet heffen. Er moet voor dit Turkse inkomen een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting volgens vrijstellingsmethode worden verleend. Dat geldt ook als voor de Turkse inkomsten de verrekeningsmethode geldt.

**Optie 2**
Ondanks het feit dat hij inwoner van Nederland is, behoort het Turkse inkomen niet tot zijn box inkomen. Hierdoor blijft het reeds opgebouwde restant PGA in stand.

**Optie 3**
Als gevolg van de tie breaker wordt belastingplichtige aangemerkt als buitenlands belastingplichtige. Dat betekent dat enkel het Nederlandse inkomen tot box verzamelinkomen behoort.

Met betrekking tot de voorliggende opties kan het volgende worden opgemerkt:

**Optie 1**
Op zich wellicht de meest zuivere optie, aangezien aan optie 2 allerlei complicaties kleven. Zie hiervoor de opsomming bij optie 2.

**Optie 2**
In feite is dit een optie van de beperkt binnenlandse belastingplichtige. Onder de Wet IB 1964 kennen we deze ook. Een complicatie bij deze optie is als belastingplichtige bijvoorbeeld beschikt over scholingsuitgaven, een eigen woning met daarbij een aftrek voor betaalde hypotheekrente. Als binnenlands belastingplichtige zijn scholingsuitgaven aftrekbaar als persoonsgebonden aftrekpost. Er ontstaat dan een restant persoonsgebonden aftrekpost; in casu is sprake van een reeds opgebouwd restant PGA. Een eventuele eigen woning kunnen we mogelijk onderbrengen in box 1 met de stelling dat de woning in Nederland geen hoofdverblijf is. Dat betekent dat de hypotheekrente niet aftrekbaar is voor box 1. Dat betekent dat ook de doorschuifbeschikking van art. 11 BvdB 2001 niet in beeld komt. Maar stel dat de woning is verworven met een fiscale partner. Als we eraan vasthouden dat belastingplichtige ook in Nederland woont, dan geldt de uitzondering van art. 1 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001 niet. Dus kan er sprake zijn van een fiscaal partner. In dat geval is weer wel sprake van een eigen woning met aftrek van de hypotheekrente. Zie art. 111 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001. Hierdoor ontstaat weer mogelijk een verlies in box 1.

**Wettelijke bepalingen**
Art. 4 lid 1 van het verdrag Nederland-Turkije luidt als volgt:
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
– hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft;
– indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn;
– indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
– indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
– indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

**Literatuur**
WFR 2016 136
Woonplaats natuurlijk

In het OESO-commentaar is niet af te leiden wat in dergelijke situaties dient te gelden.

**[Vervolg van de bepalingen en uitleg over de toepassing van de tie breaker en de criteria voor woonplaats]**
(De tekst gaat verder met gedetailleerde uitleg over de criteria voor het bepalen van de woonplaats en de toepassing van de tie breaker in verschillende situaties.)

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *