1769880

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of Nederland voorkoming moet verlenen voor belastingheffing over pensioenen uit Nederlandse bron die aan Nederland toekomen op basis van het verdrag met België. De conclusie is dat Nederland geen voorkoming hoeft te verlenen, aangezien de heffingsbevoegdheid aan België toekomt onder bepaalde voorwaarden.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Publicatiedatum**
02-2017

**Geldigheidsperiode**
Kennisgroep
IBR IB niet winst LB

**Categoric**
Verdragen

**Rubriek**
wijze van voorkoming

**Subrubriek**
Niet van toepassing

**Voorkomingsregels onder art. 18 par. 2 verdrag Nederland – België 2001**

**Vraag**
Dient Nederland voorkoming te verlenen indien vanwege de toepassing van art. 18 §2 van het verdrag met België het heffingsrecht over uit Nederlandse bron voortkomende pensioenen toekomt aan Nederland?

**Antwoord**
Nee

**Inleiding**
Het pensioenartikel in het verdrag met België wijkt in complexiteit behoorlijk af van het OESO-modelverdrag. Waar art. 18 van het modelverdrag slechts één zin bedraagt, is art. 18 van het verdrag Nederland – België 2001 een complex artikel met maar liefst paragrafen. Uit de gezamenlijke toelichting bij het verdrag valt op te maken dat de belangrijkste drijfveer achter het artikel is om zogenoemde pensioenvlucht tegen te gaan. Leidraad is de waarborging van een grensoverschrijdende coherente werking van de bij pensioenen en lijfrenten gehanteerde systematiek, waarin aanspraken op oudedagsvoorzieningen via de aftrek van premies belastingvrij kunnen worden opgebouwd en oudedagsuitkeringen worden belast. Het uitgangspunt van art. 18 is wel OESO-conform, namelijk een exclusieve woonstaatheffing; echter, het artikel kent aan de bronstaat ook een heffingsrecht toe indien aan een drietal voorwaarden is voldaan. Hiermee wijkt het artikel zowel in de verdeling van de heffingsbevoegdheid als in de uitwerking daarvan af van wat in het modelverdrag gebruikelijk is.

Recent is in de Belgische rechtspraak een ontwikkeling te zien waaruit de conclusie getrokken zou kunnen worden dat volgens de Belgische nationale wet pensioenen uit Nederland niet tegen het algemeen van toepassing zijnde tarief in de heffing worden betrokken. In het geval dat ook aan de overige voorwaarden van art. 18 par. wordt voldaan, zou dit betekenen dat het heffingsrecht over deze pensioenen ook toekomt aan Nederland. De vraag die daarbij opkomt is hoe Nederland zal moeten omgaan met de in België geheven belasting; dient Nederland hiervoor voorkoming te verlenen?

**Artikel 18 verdrag NL – BE**
Zoals hiervoor al aangegeven is het uitgangspunt van art. 18 een exclusieve woonstaatheffing. Dit uitgangspunt is verwoord in §1 als "betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat slechts in die Staat belastbaar". §2 maakt op deze woonstaatheffing een uitzondering indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:
1. De opbouw van de aanspraak is in de bronstaat fiscaal gefacilieerd;
2. De uitkering wordt in de woonstaat niet tegen het algemeen van toepassing zijnde tarief voor inkomsten verkregen uit niet zelfstandige beroepen belast, of het brutobedrag van de uitkeringen wordt voor minder dan 90% in de belastingheffing betrokken;
3. Het totaalbedrag van de bruto uitkeringen dat op grond van dit artikel in de bronstaat belastbaar zou zijn, bedraagt in een kalenderjaar meer dan 25.000.

De bronstaatheffing wordt in §2 verwoord als "mag een daar bedoeld inkomstenbestanddeel ook worden belast indien en voor zover".

**Belgische heffing over pensioenen uit Nederlandse bron**
In beginsel worden pensioenuitkeringen in België tegen het progressief tarief belast. In dit geval wordt niet voldaan aan de tweede voorwaarde uit art. 18 §2 en blijft de heffingsbevoegdheid over een pensioen betaald uit Nederlandse bron aan een inwoner van België aan dat land toegewezen. Recent is er echter in de Belgische rechtspraak een beweging zichtbaar waaruit valt op te maken dat er bij in Nederland opgebouwde pensioenen onder voorwaarden sprake kan zijn van individueel en definitief verworven rechten. In dat geval dient de Belgische fiscus de uitkering te belasten als inkomen uit roerend inkomen, een regeling vergelijkbaar met de Nederlandse boxheffing, welke neerkomt op een forfaitaire heffing van 27% over van de contante waarde van het pensioen. Indien er kan worden vastgesteld dat België de uitkeringen forfaitair belast en dus niet tegen het algemeen van toepassing zijnde tarief voor niet zelfstandige beroepen, en er overigens is voldaan aan de andere voorwaarden van art. 18 §2 (in Nederland gefaciliteerde opbouw en uitkeringen > 25.000), dan wordt Nederland heffingsbevoegd over de uitkeringen.

**Artikel 23 verdrag NL – BE**
De vraag die vervolgens opkomt is wat er moet gebeuren met de dubbele belastingheffing die ontstaat doordat België forfaitair belast en Nederland de uitkeringen tegen het progressieve tarief belast. In beginsel zou het voorkomingsartikel in het verdrag, art. 23, hier uitsluitsel moeten bieden. Men zou verwachten dat gezien de uitdrukkelijk beoogde afwijking van het OESO-modelverdrag er in het voorkomingsartikel een specifieke bepaling over dit onderwerp zou zijn opgenomen. Dit blijkt echter niet het geval, waardoor zal moeten worden teruggevallen op de hoofdregel. Het algemene uitgangspunt van art. 23 is dat de woonstaat voorkoming verleent; in beginsel zou dit betekenen dat België op grond van §1 onderdeel voorkoming dient te verlenen volgens de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud.

Er is hier immers sprake van een inwoner van België die inkomsten verkrijgt die ingevolge het verdrag in Nederland zijn belast. Verder vermeldt het voorkomingsartikel niets over art. 18, op basis waarvan Nederland enige voorkoming zou moeten verlenen, wat zou betekenen dat België geheel moet terugtreden. Deze visie wordt door de Belgische fiscus bevestigd in haar circulaire van 28 april 2004.

**Conclusie**
Al met al blijkt art. 18 een behoorlijk ingewikkeld artikel te zijn waarbij het niet geheel duidelijk is welke waarde toegekend moet worden aan de letterlijke tekst en dan met name aan het woordje "ook". In ieder geval is duidelijk dat met opzet is afgeweken van art. 18 OESO-modelverdrag. Deze afwijking ziet echter op de verdeling van de heffingsbevoegdheid en niet op de voorkomingssystematiek. Naar mijn mening is het woordje "ook" slechts op een manier uit te leggen en het bevreemd mij dan ook zeer dat het in de verdragstekst is opgenomen zonder verdere toelichting of uitwerking. Ik heb dan ook enige sympathie voor het door Hendrickx verdedigde standpunt. Desondanks ben ik van mening dat de bronstaat op basis van het verdrag geen voorkoming hoeft te verlenen.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *