AI-samenvatting
Deze memo behandelt de vraag naar de relevantie van de intentie van de inhoudingsplichtige bij de terugbetaling van kapitaal. De kennisgroep concludeert dat deze intentie niet van belang is voor de beoordeling van de belastbaarheid van de terugbetaling. Tevens wordt er gewezen op de noodzaak om de formuleringen in de uitspraak van de rechtbank te verduidelijken.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep Dividendbelasting
Lid van het Vastgoedkenniscentrum
Datum: 11 januari 2017
**Memo**
**Inleiding**
Naar aanleiding van de uitspraak van rechtbank Breda van 20 december 2016 in de zaak BRE 15/5991 hebben jullie contact gezocht met de kennisgroep. In dit memo geeft de kennisgroep zijn reactie.
**Vraag**
De kennisgroep heeft de vraag opgevat als een verzoek om de visie op de uitspraak van de rechtbank in zijn geheel en de relevantie van de intentie van de inhoudingsplichtige bij terugbetaling van kapitaal in het bijzonder.
**Antwoord**
De kennisgroep meent dat de rechtbank in beginsel uitgaat van een juist theoretisch kader. Het enige punt waarover twijfel kan bestaan is de bewoording van en hetgeen daar wordt opgemerkt over de intentie van de inhoudingsplichtige. De kennisgroep meent dat de intentie van een inhoudingsplichtige niet relevant is voor de vraag of er wel of geen sprake is van een belastbare terugbetaling van kapitaal als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel van de Wet op de dividendbelasting 1965. Het is de vraag in hoeverre de rechtbank die intentie heeft mee laten spelen in haar oordeel. De kennisgroep ziet in de bewoording van an sich onvoldoende aanleiding om alleen op basis daarvan hoger beroep aan te tekenen, gegeven het bewijsrechtelijke oordeel dat winstanticipatie niet aannemelijk is gemaakt. Indien de behandelend inspecteur echter hoger beroep aantekent vanwege andere gronden, dan adviseert de kennisgroep hem wel om in het beroepschrift een passage te wijden aan de irrelevantie van de intentie van belanghebbende.
**Beschouwing**
De uitspraak van de rechtbank waar jullie onze aandacht voor vroegen heeft betrekking op de terugbetaling van kapitaal als bedoeld in artikel Wet DB. In de kern komt de vraag die de rechtbank moet beantwoorden erop neer of en zo ja in hoeverre er zuivere winst aanwezig is. Dat kan volgens de rechtbank in twee situaties het geval zijn. De eerste is of er reeds zuivere winst is in de vorm van een hoger reëel vermogen dan het gestorte kapitaal. De tweede is die van winstanticipatie. In zoverre volgt de kennisgroep het oordeel van de rechtbank.
**Door winst gedekte terugbetaling**
In het eerste geval moet worden uitgegaan van het reële vermogen. De kennisgroep meent dat daarbij van de fair market value van de bezittingen moet worden uitgegaan. Stille reserves, ook die van vennootschapsbelasting, zijn vrijgesteld en goodwill maakt daar onderdeel vanuit. De rechtbank lijkt hetzelfde te zeggen, maar is van mening dat de aanwezigheid van goodwill niet aannemelijk is gemaakt. Dit laatste is een feitelijk oordeel waar de kennisgroep Dividendbelasting niets over kan zeggen.
**Winstanticipatie**
De tweede situatie waarin terugbetaling van kapitaal belast is met dividendbelasting is die van winstanticipatie. Winstanticipatie is aldus Wattel en Marres. De vraag of uitkeringen zonder reeds aanwezige winstdekking toch als opbrengst van aandelen kunnen worden beschouwd, is door de Hoge Raad in oude jurisprudentie bevestigend beantwoord. Ook voor het huidige recht heeft de Hoge Raad belaste winstanticipatie mogelijk geoordeeld, maar slechts in beperkte mate. Een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder die niet gedekt wordt door daarin reeds aanwezige winst kan slechts als belaste uitdeling aangemerkt worden indien er daadwerkelijk op korte termijn winst te verwachten is. Hij overwoog in zijn arresten van november 1989 (BNB 1990/63 en 64) dat slechts van een verkapte winstuitdeling sprake kan zijn indien en voor zover zij kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst.
De rechtbank overweegt in dit kader: Voor zover de inspecteur met de verwijzing naar de winsten die zijn behaald na de terugoverdracht heeft bedoeld een beroep te doen op het leerstuk van winstanticipatie (vgl. HR 30 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5797, BNB 1995/32), baat hem dat niet. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende met de terugoverdracht vooruitgelopen is op binnen afzienbare tijd te behalen winst. In zoverre deelt de kennisgroep het theoretische kader dat de rechtbank hanteert. Dat de rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vooruit is gelopen op binnen afzienbare termijn te behalen winst is een bewijsoordeel waarover de kennisgroep Dividendbelasting niets kan zeggen. De kennisgroep bevreemdt het wel dat de terugoverdracht van de effectenportefeuille tegen dezelfde waarde geschiedt als de inbreng. Hier zou heel goed een stille reserve of een winstverwachting in besloten kunnen zijn. De kennisgroep geeft de behandelend inspecteur in overweging om hier nog eens goed naar te kijken.
Het vervolg is lastiger te volgen. Integendeel, gelet op de verklaringen van belanghebbende is juist eerder aannemelijk dat belanghebbende simpelweg het eerder ingebrachte vermogen wilde terug overdragen naar privé.
De kennisgroep is unaniem van mening dat voor de aanwezigheid van winstanticipatie niet relevant is of de intentie is om kapitaal terug te betalen. De kennisgroep vraagt zich af in hoeverre de rechtbank de intentie van de belanghebbende laat meewegen in haar oordeel dan wel dat zij hiermee bedoelt uitdrukking te geven aan het feit dat van winstanticipatie geen sprake is. De kennisgroep ziet in deze bewoording an sich onvoldoende aanleiding om alleen op basis daarvan hoger beroep aan te tekenen, gegeven het bewijsrechtelijke oordeel dat winstanticipatie niet aannemelijk is gemaakt. Indien de behandelend inspecteur echter hoger beroep aantekent vanwege andere gronden, dan adviseert de kennisgroep hem wel om in het beroepschrift een passage te wijden aan de irrelevantie van de intentie van belanghebbende. Al was het maar om ongelukkige formuleringen in uitspraken weg te nemen.
Geef een reactie