1769178

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of dividendbelasting kan worden geheven over uitkeringen door Nederlandse werkmaatschappijen aan buitenlandse aandeelhouders. De kennisgroep concludeert dat dividendbelasting verschuldigd is indien de DGA ook inkomstenbelasting moet betalen, en adviseert om structuren te vermijden die als dividendstripping kunnen worden gezien.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**Kennisgroep Dividendbelasting**
**VERTROUWELIJK**

**Structuren van Ontgaan Nederlandse belasting**
**67 Awr**

**Aanleiding**
Naar aanleiding van de Panama papers zijn verschillende structuren tegen het licht gehouden. In de kern komen deze structuren erop neer dat de Nederlandse belastingheffing ter zake van dividenduitkeringen door Nederlandse werkmaatschappijen aan hun uiteindelijke aandeelhouder wordt gefrustreerd door verhanging van de werkmaatschappijen naar een buitenlandse vennootschap en het optuigen van een buitenlandse aandeelhoudersstructuur.

**Datum inbreng**
30 april 2017

**Versienummer**
67 Awr

**Referentienummer**
017 024 014

**Datum vaststelling**
januari 2017

**Vastgesteld door**
Auteur

**Bijlagen**
Geen

Naar aanleiding van deze reactie heeft de kennisgroep twee concrete casussen geselecteerd en deze voorgelegd aan de Kennisgroep dividendbelasting.

**Omschrijving feiten**
In het kort zijn de relevante feiten als volgt:
**Uitoefensituatie**
In de uitgangssituatie hield een Nederlandse DGA via een persoonlijke houdstervennootschap aandelen in een Nederlandse werkmaatschappij. Dividenduitkeringen door de werkmaatschappij vielen onder de inhoudingsvrijstelling van artikel eerste lid Wet op de dividendbelasting (Wet DB). De ontvangst daarvan viel bij de houdstervennootschap onder de deelnemingsvrijstelling. Op dividenduitkeringen door de houdstervennootschap was dividendbelasting verschuldigd, welke verrekend kon worden met de inkomstenbelasting box.

**Opzet van de structuur**
Om de Nederlandse belastingheffing af te schudden vervreemdt de persoonlijke houdstervennootschap de aandelen in de werkmaatschappij aan een buitenlandse vennootschap. Die wordt op zijn beurt via een reeks aan vennootschappen gehouden door een Panamese Foundation. Vervolgens keert de werkmaatschappij dividenden uit waarbij zij zich beroept op de inhoudingsvrijstelling van artikel tweede lid Wet DB. Uit de feitenomschrijving volgt dat de oorspronkelijke DGA zich hier actief mee bemoeit. Daarna worden de dividenden buiten de Nederlandse heffingssfeer verder dooruitgedeeld totdat deze terechtkomen bij de Panamese foundation. Ten slotte schenkt de foundation een bedrag dat verdacht veel weg heeft van het dividend dat onderin wordt uitgekeerd aan de oorspronkelijke DGA.

**Vraag**
In de kern komt de vraag in beide casussen erop neer of ter zake van dividenduitkeringen door de Nederlandse werkmaatschappij dividendbelasting kan worden geheven, dan wel of deze heffing wordt verhinderd door de inhoudingsvrijstelling van artikel tweede lid Wet op de dividendbelasting.

**Antwoord**
De kennisgroep stemt ermee in om in deze zaken naast de overige stellingen ook de stelling te betrekken dat dividendbelasting verschuldigd is. Indien uiteindelijk bij de DGA ook inkomstenbelasting kan worden geheven, zal deze dividendbelasting daar nog wel mee moeten worden verrekend.

**Beschouwing**
Hierna volgt de analyse die tot het bovenstaande antwoord heeft geleid. Allereerst wijst de kennisgroep erop dat het echte lek in deze structuren is dat de DGA geen inkomen voor de inkomstenbelasting aangeeft. In beginsel is de dividendbelasting niet het echte probleem. Voor het opzetten van de structuur was over de dividenduitkeringen die de werkmaatschappij deed al geen dividendbelasting verschuldigd. Tegen die achtergrond meent de kennisgroep dan ook dat het argument van dividendstripping dat eerder werd aangedragen geen kans van slagen heeft. Als er geen dividendbelasting verschuldigd was, valt er ook niets te strippen. De kennisgroep adviseert dan ook om het gebruik van de term dividendstripping in de voorgelegde casussen te vermijden.

Vervolgens stelt de kennisgroep in overleg met DGBel vast dat de voorgelegde structuren met name vanwege de verijdeling van de inkomstenbelasting onwenselijk zijn. Daarom draagt de kennisgroep ter ondersteuning van de bestrijding enkele mogelijkheden aan om deze structuren via de dividendbelasting aan te pakken.

**Fraus legis**
Allereerst meent de kennisgroep dat het leerstuk van fraus legis kan worden ingeroepen. Alle tussenschakels vervullen geen functie en moeten worden weggedacht. In essentie keert de werkmaatschappij dividend uit aan de Nederlandse DGA en op grond daarvan zou dan 15% dividendbelasting ingehouden moeten worden. Het betrekken van deze stelling vereist een goede feitelijke onderbouwing van het kunstmatige karakter van de structuur zonder enige economische realiteit.

**Uiteindelijke gerechtigde**
Verder zou mogelijk gesteld kunnen worden dat de directe aandeelhouder die de uiteindelijk gerechtigde is, en derhalve op grond van artikel lid Wet DB de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing is. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij het OESO-commentaar. Vereist is dan wel dat goed wordt onderbouwd dat de directe aandeelhouder feitelijk geen zeggenschap heeft over het ontvangen dividend.

De kennisgroep meent dat wanneer het kunstmatige karakter van de structuur kan worden aangetoond, de Moeder-dochterrichtlijn ook niet aan heffing van dividendbelasting in de weg staat. De kennisgroep geeft mee om dit laatste punt af te stemmen met de kennisgroep IBR Vpb winst.

**Aldaar gevestigd**
Verder vereist artikel lid Wet DB dat de opbrengstgerechtigde een lichaam is dat volgens de fiscale wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aldaar is gevestigd. De kennisgroep begrijpt dat in ieder geval in de Utrecht casus de aandeelhouder niet geregistreerd is als belastingplichtige. Daarmee lijkt in ieder geval in die casus niet voldaan aan het criterium dat de aandeelhouder een lichaam moet zijn dat volgens de lokale fiscale wetgeving aldaar gevestigd is. Ook om die reden lijkt de inhoudingsvrijstelling geweigerd te kunnen worden.

**Overige observaties**
De kennisgroep maakt nog enige andere observaties met betrekking tot de voorgelegde notities.

**Moeder-dochterrichtlijn**
De kennisgroep memoreert in zijn mail dat voor toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn vereist is dat de aandeelhouder is onderworpen aan een winstbelasting. Hoewel deze observatie op zich zelf juist is, is deze volgens de kennisgroep zonder betekenis. De wetgever heeft er bij de implementatie van de richtlijn voor gekozen om de eis van onderworpenheid te laten vallen. Deze eis kan dan ook niet gesteld worden in het kader van de inhoudingsvrijstelling. Deze eis kan hooguit een rol gaan spelen als de inhoudingsplichtige belastingplichtige zich beroept op rechtstreekse werking van de richtlijn vanwege een onjuiste implementatie in nationale wetgeving.

**Termijnen**
In de Eindhovense casus lijken de termijnen verstreken. De kennisgroep geeft de vraagsteller mee om eerst te verkennen in hoeverre er nog geheven kan worden voordat hier meer tijd in wordt gestoken.

**Buitenlandse belastingplicht**
Ten slotte dringt de kennisgroep er nogmaals bij de vraagsteller op aan om de mogelijkheden tot heffen op grond van artikel 17 derde lid onderdeel van de Wet op vennootschapsbelasting 1969 te verkennen. Dit artikel lijkt bij uitstek geschikt om deze structuur aan te pakken en heffing op grond daarvan is in ieder geval kansrijker dan het heffen van dividendbelasting.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *