AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of niet-ingezetenen met Nederlandse portfolioaandelen recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting. De ruling concludeert dat zij geen recht hebben op de ouderentoeslag in de drukvergelijking voor het heffingvrije vermogen, zelfs als zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 56 Wet IB2001 oud.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
VERTROUWELIJK
Voorzitter
2e
Secretaris
Helpdeskvraag
Kennisgroep
Dividendbelasting
artikel 10a Wet DB 1965
artikel Wet IB 2001
artikel Wet IB 2001 oud
ouderentoeslag
heffingvrij vermogen
in drukvergelijking
Datum inbreng: 14 juni 2017
Versienummer:
Vraag
Heeft een niet ingezeten natuurlijk persoon met Nederlandse portfolio aandelen waarop hij dividenden ontvangt die met een beroep op Miljoen over de jaren tot en met 2015 verzoekt om teruggaaf van dividendbelasting in het kader van de drukvergelijking bij het vaststellen van het heffingvrije vermogen zoals bedoeld in artikel Wet IB 2001 recht op toepassing van de ouderentoeslag in de zin van 22 juni 2017?
Referentienummer: 017 024 020
Datum vaststelling:
artikel Wet IB 2001 oud mits hij aan de daarin gestelde voorwaarden voldoet.
Vastgesteld door:
Antwoord
Nee, een niet ingezetene met Nederlandse portfolioaandelen die op basis van Miljoen verzoekt om teruggaaf van dividendbelasting heeft in de drukvergelijking voor het bepalen van het heffingvrije vermogen geen recht op toepassing van de ouderentoeslag, ook niet als hij voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel Wet IB 2001 oud (leeftijd, beperkt of geen inkomen uit werk en woning).
**Beschouwing**
**Achtergrond**
Op 17 september 2015 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de gevoegde zaken Miljoen 10/14, 14/14 en 17/14. In navolging hiervan heeft de Hoge Raad op maart 2016 de eindarresten gewezen HR BNB 2016/88, 90. Naar aanleiding van die arresten heeft de staatssecretaris vooruitlopend op wetgeving een besluit uitgevaardigd. Per januari 2017 is een en ander gecodificeerd in artikel 10a Wet DB 1965 jo artikel Uitvoeringsbeschikking DB 1965.
**Drukvergelijking en heffingvrije vermogen**
Uit het oordeel van het HvJ EU volgt primair dat er prima facie een belemmering is wanneer een heffing van dividendbelasting van 15% ertoe leidt dat de uiteindelijke belastingdruk voor niet ingezetenen zwaarder is dan die voor ingezetenen voor dezelfde dividenden. De vergelijking ten aanzien van de geheven dividendbelasting van een niet ingezetene dient zich dus mede uit te strekken tot de verschuldigde inkomstenbelasting eindheffing voor ingezetenen die ziet op het betreffende dividendinkomen. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een hogere belastingdruk voor een niet ingezetene moet er een drukvergelijking worden gemaakt waarbij het HvJ EU ten aanzien van natuurlijke personen heeft geoordeeld dat het heffingvrije vermogen een brongebonden aftrekpost is die in de drukvergelijking ook toekomt aan niet ingezetenen. Het HvJ EU is namelijk van mening dat het heffingvrije vermogen een aan alle ingezetenen toegekend voordeel vormt, los van hun persoonlijke situatie.
Daarmee negeert het HvJ EU het arrest van de Hoge Raad BNB 2012/44 waarin werd geoordeeld dat het heffingvrije vermogen een belastingvoordeel vormt dat voortvloeit uit de in aanmerkingneming van de persoonlijke situatie en gezinssituatie (persoonsgebonden aftrekpost). In BNB 2012/45 werd dit oordeel specifiek bevestigd ten aanzien van de ouderentoeslag.
**Ouderentoeslag**
Ervan uitgaande dat er in de drukvergelijking rekening dient te worden gehouden met het heffingvrije vermogen, heeft de staatssecretaris zich in het besluit en wetgeving naderhand niet uitgelaten over een mogelijke aanspraak op de ouderentoeslag die per januari 2016 overigens is ingetrokken. De tekst van artikel Wet IB 2001 luidde tot aan het moment van intrekking:
**Artikel Ouderentoeslag**
Het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien:
– de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar of indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd bij het einde van de belastingplicht de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en
– de grondslag sparen en beleggen vóór vermindering met de ouderentoeslag niet meer bedraagt dan 282.226.
Bij een inkomen uit werk en woning voor inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van meer dan maar niet meer dan bedraagt de ouderentoeslag:
– 14.431
– 28.236
– 14.431
– 20.075
– 14.118
– 20.075
– nihil
Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking genomen de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen voor vermindering met de ouderentoeslag en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van 282.226 verhoogd tot 564.451.
**Opvatting kennisgroep**
De Kennisgroep Dividendbelasting is ten aanzien van de ouderentoeslag van mening dat door het arrest Miljoen het oordeel van de HR in BNB 2012/45 niet is achterhaald en dat de ouderentoeslag nog wel degelijk kan worden aangemerkt als een belastingvoordeel dat voortvloeit uit de in aanmerkingneming van de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene. Dit blijkt ook uit de voorwaarden zoals die worden gesteld in artikel Wet IB 2001. Deze zijn persoonsgebonden en niet brongebonden.
**Conclusie**
Een niet ingezetene met Nederlandse portfolioaandelen die op basis van Miljoen verzoekt om teruggaaf van dividendbelasting tot en met 2015 heeft in de drukvergelijking voor het bepalen van het heffingvrije vermogen geen recht op toepassing van de ouderentoeslag, ook niet als hij voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel Wet IB 2001 oud.
Een bevestiging omtrent de EU-rechtelijke houdbaarheid van het standpunt van de Kennisgroep Dividendbelasting wordt gevraagd aan de KB IBR niet winst.
Geef een reactie