1708122

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat de opkopende vennootschap niet kan worden aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde tot de voordelen van de aandelen. Dit betekent dat de opkoper dividendbelasting verschuldigd is bij de inkoop van de aandelen, aangezien de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing is.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
VERTROUWELIJK

**Helpdeskvraag DIV 018 024 014**
Kennisgroep Dividendbelasting_Postbus

**Dividendbelasting, artikel lid van de Wet DB 1965, geen uiteindelijk gerechtigde bij de inkoop van aandelen ten behoeve van een herstructurering**
**Datum inbreng:** 26 oktober 2018

**Vraag**
Kan de opkopende vennootschap uit onderstaande casus worden aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel lid van de Wet op de dividendbelasting?

**Versienummer**
**Referentienummer:** DIV 018 024 014
**Datum vaststelling:** februari 2019

**Antwoord**
Nee, de opkopende vennootschap is niet de uiteindelijk gerechtigde indien zij de aandelen niet voor eigen rekening en risico opkoopt.

**Casus**
Een investmentfonds is voornemens om haar structuur aan te passen. Voortaan zullen alle participanten lid zijn van een coöperatie, welke op haar beurt de aangekochte aandelenbelangen aanhoudt. Thans maakt men gebruik van een complexe stapelstructuur. De stapelstructuur wordt, nadat de belangen van de huidige investeerders in het onderliggende fonds zijn ingebracht in de nieuw opgerichte coöperatie, opgeruimd. In veel gevallen kan dat middels een liquidatie van de stapelvennootschappen of de inkoop van aandelen.

Bij investeerders bij wie een liquidatie dan wel een inkoop van eigen aandelen aan inhouding van dividendbelasting onderhevig is, is besloten om deze belangen op te kopen tegen schuldigerkenning door een opkopende vennootschap. Hier wordt een bestaande stapelvennootschap voor gebruikt; de structuur bestaat uit een groot aantal stapelvennootschappen. De opkoopvariant kent de volgende stappen:
1. De investeerders verkopen hun aandelen in een bestaande stapelvennootschap tegen schuldigerkenning aan de opkoper.
2. Door de opkoper worden aandelen ingekocht; als gevolg van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling is men geen dividendbelasting verschuldigd over deze in beginsel belaste prestatie.
3. Het voorgaande wordt herhaald door een gebruikte stapelvennootschap; als gevolg van deze stap houdt de opkoper een rechtstreeks belang in de coöperatie.
4. De schuld van de opkoper ontstaan in stap 1 wordt voldaan in de vorm van verkregen lidmaatschapsrechten in de coöperatie.

Bij deze opkoopvariant zal geen dividendbelasting verschuldigd zijn, aangezien de verkoop van aandelen en de daarmee samenhangende betaling van de koopsom geen belaste opbrengst vormen voor de dividendbelasting. Daarnaast zal geen dividendbelasting verschuldigd zijn ten aanzien van de inkoop van eigen aandelen door het fonds en de stapelvennootschappen, aangezien zij gebruik kunnen maken van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Deze stappen vinden vrijwel gelijktijdig plaats.

Na deze stappen houden de investeerders rechtstreeks de lidmaatschapsrechten in de coöperatie.

**Beschouwing**
In het gegeven geval is cruciaal dat de verschillende stappen geen ander doel dienen dan het voorkomen van de inhouding van Nederlandse dividendbelasting. Men probeert te voorkomen dat een aantal investeerders geconfronteerd worden met niet verrekenbare dividendbelasting omdat zij geen mogelijkheid hebben om de dividendbelasting te verrekenen in de Vpb.

De kennisgroep begrijpt van de vraagsteller dat de opkoper in het geheel van de stappen geen enkel risico loopt en alle stappen op vrijwel hetzelfde moment plaatsvinden. Dit betekent dat de opkoper niet vrijelijk over de aandelen en mogelijk daaruit voortvloeiende voordelen kan beschikken.

Op grond van het marketmakerarrest kan gezegd worden dat de opkoper niet gezien dient te worden als de uiteindelijk gerechtigde van de aandelen en de mogelijke voordelen uit aandelen, omdat de opkoper geen ander doel heeft dan het omwisselen van de participaties van de investeerders voor lidmaatschapsrechten in de nieuw opgerichte coöperatie.

Eenzelfde conclusie kan getrokken worden aan de hand van onderdeel van het besluit van 21 november 2011 nr. DGB 2011 6870M. In het besluit wordt opgemerkt dat een opkopende vennootschap, welke optreedt namens een beursfonds dat zijn aandelen wenst in te kopen, niet wordt aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde. De opkopende vennootschap fungeert in dat geheel als een dienstverlener ten behoeve van het inkopende lichaam. In de voorliggende situatie zijn de effecten van de verschillende stappen materieel bezien nagenoeg gelijk aan de geschetste situatie in het besluit. De KG meent daarom dat ook op deze gronden de opkoper niet aangemerkt kan worden als uiteindelijk gerechtigde. Dat de passage in het verzamelbesluit betrekking heeft op beursaandelen en dat de opkoper geen beursvennootschap is, maakt geen verschil. De kennisgroep ziet namelijk geen reden waarom de dividendbelastinggevolgen voor niet-beursaandelen anders zou uitpakken.

Nu de opkoper op grond van artikel lid van de Wet op de dividendbelasting niet gezien wordt als de uiteindelijk gerechtigde, is niet relevant of er ook sprake is van dividendstripping. De vragen omtrent dividendstripping hoeven om die reden dan ook niet beantwoord te worden.

**Conclusie**
De opkopende vennootschap kan zowel op grond van het market makerarrest als het besluit van 21 november 2011 nr. DGB 2011 6870M niet gezien worden als uiteindelijk gerechtigde tot de voordelen van de aandelen. Dit betekent dat de inkopende vennootschap op de inkoop van de aandelen dividendbelasting verschuldigd is, omdat de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing is. De opkoper kan de ingehouden dividendbelasting niet terugvragen of verrekenen, omdat de opkoper niet heeft te gelden als de uiteindelijk gerechtigde tot de opbrengst van de aandelen. Daarnaast kunnen ook de achterliggende investeerders de dividendbelasting niet verrekenen, omdat niet ten laste van deze personen is ingehouden.

**Aanvullende opmerking**
De KG geeft de vraagsteller ook mee om te onderzoeken in samenspraak met de Coördinatiegroep taxhavens en concernfinanciering (CTC) of hier na de herstructurering mogelijk sprake is van een houdstercoöperatie waarvan de lidmaatschapsrechten worden gehouden door een samenwerkende groep. In de parlementaire geschiedenis is namelijk opgemerkt dat van een samenwerkende groep sprake kan zijn als een beleggingsmaatschappij het lidmaatschapsrecht aanbiedt als beleggingsproduct en de coördinatie daarvan voor haar rekening neemt. Indien daarvan sprake is, dan is de coöperatie op grond van artikel lid van de Wet op de dividendbelasting inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. Overigens kan dan voor uitkeringen van de coöperatie wel nog een beroep worden gedaan op de inhoudingsvrijstelling van artikel van de Wet op de dividendbelasting.

Zie Kamerstukken II 2017/18, 34 788, nr. 16.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *