1708115

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat een inhoudingsplichtige geen teruggaaf van dividendbelasting kan aanvragen op basis van een achteraf opgestelde verklaring. De vereiste schriftelijke verklaring moet voor het tijdstip van uitkering zijn afgegeven, en kan niet achteraf worden overgelegd.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
VERTROUWELIJK

**Voorzitter**
**2e**
**Secretaris**

**Helpdeskvraag DIV 018 024 007**
Kennisgroep Dividendbelasting artikel 4e Wet DB 1965 artikel 12a Uitvoeringsbeschikking DB 1965 art 12a Wet IB 2001 teruggaaf dividendbelasting inhoudingsplichtige
**Datum inbreng**: 12 april 2018

**Vraag**
Kan een inhoudingsplichtige middels bezwaar tegen de eigen aangifte dividendbelasting ingehouden en afgedragen dividendbelasting terugvragen op grond van een achteraf opgestelde schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 12a Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965?

**Antwoord**
Nee, een teruggaaf van dividendbelasting aan een inhoudingsplichtige is in dit geval niet mogelijk. Voor het achterwege blijven van inhouding van dividendbelasting op grond van artikel 4e Wet DB 1965 moet er een schriftelijke verklaring in de zin van artikel 12a Uitvoeringsbeschikking DB 1965 zijn afgegeven voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld. Deze verklaring kan niet achteraf worden overgelegd. De inhouding en afdracht zijn op correcte wijze geschied en aldus is er geen reden tot teruggaaf.

**Vastgesteld door**
**Auteur**
**Bijlagen**
**Beschouwing**
Zie ook vraag DIV 018 024 003.

Eventuele interne overwegingen van strategische aard: Mogelijk kan de opbrengstgerechtigde wel een aangifte inkomstenbelasting indienen en daarin een beroep doen op artikel 12a Wet IB 2001 en daarbij de dividendbelasting als voorheffing verrekenen. Aangezien de opbrengstgerechtigde buitenlands belastingplichtige is, dient het dividend dan wel te behoren tot het verzamelinkomen. In dat kader komt de vraag op of aan die voorwaarde wel is voldaan indien de aandeelhouder op grond van art 12a Wet IB 2001 het dividend afboekt op de verkrijgingsprijs. Die vraag heeft de kennisgroep voorgelegd aan de Kennisgroep Aanmerkelijk Belang. Die kennisgroep komt tot de conclusie dat, gelet op doel en strekking van artikel 12a Wet IB 2001, de geheven dividendbelasting in dergelijke gevallen toepassing van artikel 12a Wet IB 2001 niet aan verrekening van dividendbelasting in de weg moet staan.

**Zie artikel 12a Wet IB 2001**
VERTROUWELIJK

**Rechtsvraag DIV 018 024 004**
Kennisgroep Dividendbelasting
VERTROUWELIJK

**Datum inbreng**: juli 2018
**Casus**
67 Awr is thans opgericht naar het recht van Nederland en alhier gevestigd. Een groot deel van de activiteiten van het concern worden in 67 Awr verricht. Daarom heeft de directie besloten dat de NV, inclusief hoofdkantoor, en de BV naar 67 Awr worden verplaatst. Hiervoor worden de volgende stappen genomen.

**Vraag**
Is de vestigingsplaatsfictie van artikel 3 lid van de Wet DB van toepassing op een geëmigreerde SE die ten tijde van de oprichting werd beheerst door het Nederlandse recht? Zo ja, dient de geëmigreerde SE vervolgens nog dividendbelasting in te houden op toekomstige uitkeringen? Daarbij komt de vraag op of er mogelijk sprake is met het EU-recht.

**Antwoord**
De vestigingsplaatsfictie is onverkort van toepassing en de SE is na de emigratie gehouden om dividendbelasting in te houden. Slechts voor zover een verdrag de heffing aan een andere lidstaat heeft toegewezen, kan hiervan worden afgezien. In het geval van 67 Awr betekent dit dat, voor zover de aandeelhouders geen inwoner van Nederland zijn, afgezien kan worden van inhouding.

Ten aanzien van het primaire EU-recht is de kennisgroep van oordeel dat er geen sprake is van een belemmering omdat er sprake is van een dispariteit. Met betrekking tot de EU-verordening welke ziet op de SE is door de staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling opgemerkt dat er geen risico's voorzienbaar zijn. De kennisgroep dividendbelasting ziet geen reden of ruimte om een ander standpunt in te nemen.

**Beschouwing**
De casus bestaat in principe uit drie vragen:
1. Is de vestigingsplaatsfictie van artikel 3 lid van de Wet op de dividendbelasting van toepassing op een geëmigreerde SE die ten tijde van de oprichting werd beheerst door het Nederlandse recht?
2. In hoeverre dient een geëmigreerde SE dividendbelasting in te houden op uitkeringen aan haar aandeelhouders?
3. Is de heffing van dividendbelasting in strijd met het primaire EU-recht of de Verordening van oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap SE?

**Conclusie**
De kennisgroep dividendbelasting komt tot de volgende conclusies:
– De oprichtingsfictie van artikel 3 lid van de Wet op de dividendbelasting heeft ook te gelden voor een geëmigreerde SE waarvan de oprichting werd beheerst door het Nederlandse recht.
– Een dergelijke SE is na de emigratie dus nog steeds inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.
– Inhouding mag achterwege blijven voor zover de aandeelhouders geen inwoner van Nederland zijn.
– Voor wat betreft de toepassing van het EU-recht neemt de kennisgroep het standpunt in dat er geen sprake is van strijdigheid, maar stemt dit standpunt nog af met de kennisgroep internationaal belastingrecht Vpb winst.

**Zie Verordening van oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap SE**
VERTROUWELIJK

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *