AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt vastgesteld dat een niet ingezeten gehuwde natuurlijke persoon geen recht heeft om de waarde van zijn aandelen toe te rekenen aan zijn partner voor de toepassing van het heffingvrije vermogen. Dit besluit is in lijn met de nationale wetgeving en de EU-rechtelijke houdbaarheid is afgestemd met relevante instanties.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**Kennisgroep**
**Dividendbelasting**
**VERTROUWELIJK**
**Helpdeskvraag DIV 018 024 001**
**Datum inbreng:** 7 februari 2018
**Versienummer:** [GEANONIMISEERD]
**Referentienummer:** DIV 018 024 001
**Datum vaststelling:** [GEANONIMISEERD]
**Vastgesteld door:** [GEANONIMISEERD]
**Vraag**
Mag een niet ingezeten gehuwde natuurlijke persoon die een beroep doet op artikel 10a Wet DB 1965 de waarde van zijn aandelen geheel dan wel gedeeltelijk toerekenen aan zijn partner teneinde de door hem verschuldigde hypothetische inkomstenbelasting te bepalen? Dit terwijl het dividend ter zake waarvan de teruggaaf van dividendbelasting wordt geclaimd volledig wordt toegerekend aan de verzoeker.
**Antwoord**
Nee, een niet ingezeten gehuwde natuurlijke persoon met Nederlandse portfolioaandelen die met een beroep op artikel 10a Wet DB 1965 verzoekt om een teruggaaf van de teveel ingehouden dividendbelasting heeft nationaalrechtelijk niet de mogelijkheid om de waarde van zijn aandelen geheel dan wel gedeeltelijk toe te rekenen aan zijn partner teneinde de door hem verschuldigde hypothetische inkomstenbelasting te bepalen, lees te verminderen, als gevolg waarvan de mogelijke benadeling teruggaaf wordt berekend.
**Bijlagen**
Geen
**Beschouwing**
In de eerste plaats is het nuttig om twee onderscheiden te maken:
Het onderscheid tussen uitleg van de Wet DB 1965 enerzijds en het EU-recht anderzijds. Het eerste gaan wij over. Het tweede is een samenspel met de KG IBR.
Het onderscheiden van twee vragen: allereerst hoe vaak het heffingvrije vermogen moet worden toegepast en ten tweede of het vermogen mag worden verdeeld met het oog op de progressie van box.
Hoe vaak dient het heffingvrije vermogen in aanmerking te worden genomen bij een verzoeker met een partner?
In het verleden is er in het kader van de boxheffing bij vastgoed een beroep op de hardheidsclausule afgewezen met als argument dat het wel of niet hebben van een partner een persoonlijke omstandigheid is die in het woonland in aanmerking moet worden genomen.
Uitgaande van het oordeel van het HvJ EL in de zaak Miljoen, dat het heffingvrije vermogen een brongebonden aftrekpost is, wordt er dan ook niet toegekomen aan de vraag of het van belang is of een niet ingezeten aandeelhouder een fiscaal partner heeft. Het heffingvrije vermogen wordt dan eenmaal toegekend. Dit is ook het beleid van de staatssecretaris.
Mag het vermogen worden verdeeld tussen de partners met het oog op de progressie van box?
Sinds 2017 kent box een vorm van progressie. Weliswaar is er slechts een belastingtarief, maar het forfaitaire inkomen stijgt procentueel gezien naarmate het vermogen groter is. Iemand met een groter vermogen wordt geacht een groter gedeelte risicovol te beleggen en per saldo daarmee een hoger voordeel te behalen. Het loont voor binnenlanders dus om het vermogen gelijkmatig te verdelen over de partners zodat je optimaal gebruik maakt van de lage schijven. De wettekst van artikel 10a Wet DB 1965 in combinatie met artikel Uitvoeringsbeschikking DB 1965 voorziet niet in de mogelijkheid van toerekening van de aandelen aan de partner.
**Conclusie**
De KG Dividendbelasting komt tot de volgende conclusie:
Op basis van de nationale wet, artikel 10a Wet DB 1965, heeft belanghebbende geen recht op toepassing van het heffingvrije vermogen van zijn partner en kan hij het vermogen bovendien niet voor de helft aan zijn partner toerekenen om gebruik te maken van de progressievoordelen.
Voor wat betreft de EU-rechtelijke houdbaarheid van het standpunt van de KG Dividendbelasting heeft er afstemming plaatsgevonden met de KG IBR en het Ministerie van Financiën.
Zie de noot van Aibert bij BNB 2015 224, punt [GEANONIMISEERD].
**Besluit van 25 april 2016 nr DGB 2016 1731M**.
Geef een reactie