AI-samenvatting
Dit document behandelt de toepassing van het verlaagde tarief en de startersvrijstelling voor aanhorigheden bij de verkrijging van een woning. De conclusie is dat de voorwaarden voor de hoofdverblijfverklaring alleen van toepassing zijn op de woning zelf en niet op de aanhorigheden. Hierdoor is geen hoofdverblijfverklaring vereist voor aanhorigheden.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1703752**
**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/Grote Ondernemingen/kantoor Amsterdam**
**5.1.2e**
**Kennisgroepstandpunt 21-052-24 criterium anders dan tijdelijk als hoofdverblijf en aanhorigheden**
**Memo**
**Aanleiding**
Met invoering van de Wet differentiatie overdrachtsbelasting, van kracht sinds 1 januari 2021, geldt voor woningen het verlaagde tarief van 2% en de startersvrijstelling, als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR), voorafgaande aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring. De toepassing van het 2% tarief is uitgebreid in artikel 14, lid 5 WBR met aanhorigheden die tot de woning behoren, indien zij gelijktijdig met deze woning worden verkregen en dat belastingtarief eveneens van toepassing is op de woning.
**Vraag**
Geldt voor de toepassing van het verlaagde tarief en de startersvrijstelling ook voor aanhorigheden de voorwaarde dat de verkrijger de aanhorigheid na de verkrijging anders dan tijdelijk gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a WBR, voorafgaande aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring?
**Antwoord**
Nee. Voor toepassing van het verlaagde tarief en de startersvrijstelling geldt niet de voorwaarde dat de verkrijger de aanhorigheid na de verkrijging anders dan tijdelijk gaat gebruiken. Ook de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 15a WBR ziet slechts op de woning en niet ook op de aanhorigheid die gelijktijdig met de woning wordt verkregen.
**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
**Artikel 14 (voor zover relevant in dit vraagstuk)**
1. De belasting bedraagt 8 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring.
5. De belasting van 2 percent, genoemd in het tweede en derde lid, is eveneens van toepassing op aanhorigheden die tot de woning behoren, indien zij gelijktijdig met deze woning worden verkregen en dat belastingtarief van toepassing is op die woning.
**Artikel 15 (voor zover relevant in dit vraagstuk)**
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
p. In van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, en de gelijktijdige verkrijging van de tot die woning behorende aanhorigheden, indien:
1°. de verkrijger een meerderjarig natuurlijk persoon jonger dan vijfendertig jaar is;
2°. de verkrijger deze vrijstelling niet eerder heeft toegepast en dit overeenkomstig artikel 15a, onmiddellijk voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring; en
3°. de verkrijger de verkregen woning of rechten waaraan deze is onderworpen na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring;
4°. het totaal van de waarde van de woning of rechten waaraan deze is onderworpen en tot die woning behorende aanhorigheden niet uitkomt boven € 400.000.
**Artikel 15a (voor zover relevant in dit vraagstuk)**
1. De schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 14, tweede lid, of artikel 15, eerste lid, onderdeel p, geschiedt door het door iedere verkrijger afzonderlijk invullen van het daartoe door de inspecteur ter beschikking gestelde standaardformulier.
3. Uit de notariële akte dient op een door de inspecteur aangegeven wijze te blijken dat een beroep wordt gedaan op artikel 14, tweede lid, of artikel 15, eerste lid, onderdeel p.
**Overwegingen**
Verlaagd tarief en hoofdverblijfverklaring
In artikel 14 lid 2 WBR is de voorwaarde voor het verlaagde tarief opgenomen dat inhoudt dat de verkrijger de woning na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. De wettekst van 14 lid 2 WBR geeft aan dat deze verklaring alleen ziet op de woning (‘als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk’) en niet over de woning en eventuele aanhorigheden. Op basis van een grammaticale interpretatie dient de verklaring slechts overgelegd te worden voor toepassing van het verlaagde tarief op de woning. Ook artikel 14 lid 5 WBR spreekt niet over een dergelijke verklaring noch over het anders dan tijdelijk gebruikt worden als/bij het hoofdverblijf.
In de parlementaire geschiedenis is over het verlaagde tarief met betrekking tot aanhorigheden het volgende opgenomen:
“Artikel I, onderdeel B (artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)
In het voorgestelde artikel 14, eerste lid, WBR wordt het algemene overdrachtsbelastingtarief verhoogd naar 8%. Het algemene tarief geldt voor de verkrijging van niet-woningen, zoals bedrijfspanden, en woningen die niet onder het verlaagde tarief van artikel 14, tweede lid, WBR vallen.”
Op basis van het huidige artikel 14, tweede lid, WBR geldt voor de verkrijging van woningen en de bij de woning behorende aanhorigheden het verlaagde tarief van 2%. De voorgestelde wijziging van artikel 14, tweede lid, WBR omvat een beperking van het toepassingsbereik van het verlaagde tarief van 2% en een aanscherping van de toepassing van het verlaagde tarief voor aanhorigheden. De beperking houdt in dat het verlaagde tarief slechts van toepassing is bij de verkrijging van de woning door een natuurlijk persoon die de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit bij de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring. Dit geldt eveneens bij de verkrijging van rechten waaraan een woning is onderworpen of van lidmaatschapsrechten van een vereniging of coöperatie waarin het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een in Nederland gelegen woning is begrepen.
Het verlaagde tarief geldt uitsluitend voor natuurlijke personen die voldoen aan het hoofdverblijfcriterium. Voor niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen, geldt de regeling niet en voor hen geldt bij de verkrijging van een woning het algemene tarief van 8%. De verkrijger dient op het moment onmiddellijk voorafgaand aan de verkrijging, overeenkomstig het voorgestelde artikel 15a, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud schriftelijk te verklaren de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.
In het voorgestelde artikel 14, vierde lid, WBR wordt een aanscherping aangebracht met betrekking tot aanhorigheden ten opzichte van de huidige regeling. Aanhorigheden kunnen delen in het verlaagde tarief, mits deze gelijktijdig met de woning worden verkregen, en op de woning het verlaagde tarief van toepassing is. Later verkregen aanhorigheden vallen onder het algemene tarief van 8%.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat bij de verkrijging van losse aanhorigheden het 8% tarief geldt, omdat in dat geval niet aan het hoofdverblijfcriterium kan worden voldaan.
Uit de hiervoor aangehaalde passages volgt dat de wetgever geen hoofdverblijfverklaring als voorwaarde stelt bij toepassing van het verlaagde tarief op een verkrijging van een aanhorigheid. De wetgever meent dat bij de losse verkrijging van de aanhorigheid niet aan het hoofdverblijfcriterium kan worden voldaan. Dit is naar onze mening niet anders als de aanhorigheid gelijktijdig met de woning wordt verkregen.
**Conclusie**
Uit (de wetssystematiek van) de relevante wetteksten volgt dat het criterium anders dan tijdelijk als hoofdverblijf en de daarbij behorende schriftelijke verklaring slechts ziet op het gebruik van de woning en niet voor het gebruik van de aanhorigheden en dat derhalve daarvoor geen hoofdverblijfverklaring dient te worden overgelegd.
Geef een reactie