1703711

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de invloed van artikel 13 WBR op de waarde in het economische verkeer van onroerende zaken. Het besluit bevestigt dat het ontbreken van overdrachtsbelasting een positieve impact heeft op de prijs die kopers bereid zijn te betalen. Tevens wordt gesteld dat het passeren van akten in omgekeerde volgorde geen fiscaal voordeel oplevert.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**VERTROUWELIJK**
**Belastingdienst/Grote Ondernemingen/kantoor Utrecht**
**Memo Kennisgroepstandpunt 21-052-06 Artikel 13 WBR en de invloed op de maatstaf van heffing**

**Feiten/casus**
**Vraag**
A. Is de omstandigheid dat ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak geen (of minder) overdrachtsbelasting verschuldigd is ingevolge artikel 13 WBR, een factor (naast andere) die een (positieve) invloed heeft op de waarde in het economische verkeer van die onroerende zaak (ten tijde van de verkrijging)?
Als vraag A bevestigend wordt beantwoord, betekent dit dan dat het passeren van akten van levering (A-B en B-C) op dezelfde dag in omgekeerde volgorde (eerst B-C en daarna A-B) geen fiscaal voordeel oplevert vergeleken met het geval dat eerst A-B wordt gepasseerd en daarna B-C met de last voor C om het voordeel aan B te vergoeden?
Als het antwoord op vraag B luidt dat het passeren van leveringsakten op dezelfde dag in omgekeerde volgorde geen voordeel oplevert, staat dan het besluit MvH (22 februari 2017 nr. 2017-36415, Scrt. 2017, 12449), onderdeel 9.3.2 (Verlijden akten van levering in omgekeerde volgorde) wellicht in de weg aan naheffing (vertrouwensbeginsel)?

**Antwoord**
A. De waarde die in het economische verkeer aan een onroerende zaak kan worden toegekend, is – ingeval het gaat om de waardering van zaken waarin geregeld handel wordt gedreven — gelijk aan de prijs, die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed. De omstandigheid dat ingevolge artikel 13 WBR geen of minder overdrachtsbelasting verschuldigd is, is een factor (naast andere) die de meest biedende gegadigde bij het bepalen van zijn prijs in aanmerking zal nemen, hetgeen ertoe leidt dat hij een hoger bod zal doen dan in het geval artikel 13 WBR niet van toepassing was geweest.
B. Het passeren in omgekeerde volgorde levert geen overdrachtsbelastingvoordeel op.
C. Ja, buiten verzoek.

**VERTROUWELIJK**
**Corporate Dienst**
**Vaktechniek**
**Croeselaan 14**
**3521 CA Utrecht**
**Postbus 18280**
**3510 CG Utrecht**
**www.belastingdienst.nl**
**Contactpersoon**
**Datum**
**4 juni 2021**
**Versienummer**
**1.0**
**Behandeld door**
**Kopie aan**
**Bijlage**
**Pagina 1 van 9**

**Beschouwing/Toelichting (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
A. Waarde onroerende zaak en artikel 13 WBR
Wat betreft de vraag wat onder ‘waarde in het economische verkeer’ moet worden verstaan is nog steeds HR 5 februari 1969 van belang. De Hoge Raad overwoog: ‘dat voor de toepassing van art. 9, lid 1, van de Wet VB 1964 de vraag, welke waarde in het economische verkeer aan een bezitting of een schuld kan worden toegekend, voor elk geval afzonderlijk aan de hand van de daarvoor geldende omstandigheden zal moeten worden beantwoord; dat, ingeval het gaat om de waardering van zaken waarin geregeld handel wordt gedreven, als de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend in het algemeen dient te worden aangenomen de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaan de prijs, die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed; (…).’
A verkrijgt op 1 februari 2021 een perceel grond voor € 100.000 (Waarde Economisch Verkeer, verder te noemen WEV) en is ter zake hiervan 8% overdrachtsbelasting verschuldigd. Binnen zes maanden daarna schenkt A de grond aan B, die op grond van artikel 13 WBR geen overdrachtsbelasting verschuldigd is over € 100.000. Zou artikel 13 WBR niet van toepassing zijn geweest dan had de WEV ook nu € 100.000 bedragen. Brengt het feit dat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is over € 100.000 (een besparing van € 8.000) mee dat de WEV hoger is dan € 100.000 (oftewel: is het aannemelijk dat de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zal worden besteed hoger is dan € 100.000, nu geen (of minder) overdrachtsbelasting verschuldigd is)?
Vgl. HR 25 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2681, BNB 1979/157.

**VERTROUWELIJK**
**Pagina 2 van 9**

**Voorbeeld 1:**
– A verkoopt aan B voor 100 = WEV
– B verkoopt een week daarna aan C voor 100 (omstandigheden ten tijde van de verkrijging verkoop A-B en verkoop B-C zijn identiek: ceteris paribus)
– Levering door A aan B en door B aan C geschiedt op dezelfde dag.
– Voorafgaand aan de leveringen beloopt de WEV 100.
Wat is de maatstaf van heffing?
Als de volgorde van passeren niet wordt omgedraaid, maar het voordeel door C (op grond van een contractueel beding) wordt vergoed aan B, is de uitkomst als volgt:
Eerst leveringsakte A-B (B is fiscaal de eerste verkrijger, C de opvolgende verkrijger die het voordeel van artikel 13 WBR heeft)
– (objectieve) WEV is 100
– koopsom (tegenprestatie) is 100
heffing over 100 (artikel 9 lid 1 WBR). 8% = 8
Daarna leveringsakte B-C (C geniet nu het voordeel van artikel 13 WBR, maar moet op grond van het koopcontract — een standaard beding – het netto voordeel aan B vergoeden)
– koopsom (100) plus vergoeding netto voordeel (7,4 = 8 minus 8% over 8) is 107,4
– WEV = Tegenprestatie (TP) = 107,4
– heffing over 7,4 (107,4-100). 8% = 0,59
Er wordt geheven over in totaal 107,4 (8% van 100 = 8 ten laste van B; en 8% over 7,4 = 0,59 ten laste van C, totaal 8,59).

**VERTROUWELIJK**
**Pagina 5 van 9**

**Artikel 4 WBR**
Tot slot wordt erop gewezen dat het KG-standpunt ook betekenis heeft in het kader van de toepassing van de artikelen 4 en 10 WBR.
Voorbeeld 1:
Op 1 april 2021 verkrijgt P alle aandelen in een ozr. Heffing: 8% over 500.000 = 40.000. Binnen zes maanden verkoopt en levert P de aandelen aan Q. Zou artikel 13 niet van toepassing zijn geweest, dan zou de waarde van het (zelfde) vastgoed van de ozr ttv de verkrijging door Q 550.000 hebben belopen. Nu artikel 13 wel op de verkrijging door Q van toepassing is, wordt deze waarde verhoogd met het netto-voordeel, ofwel 37.037 (100/108 x 40.000) tot in totaal 587.037. Ten laste van Q wordt 8% overdrachtsbelasting geheven over 587.037 minus 500.000 = 87.000 (afgerond; artikel 13 lid 1 jo lid 2 WBR), ofwel 6.960.

**VERTROUWELIJK**
**Pagina 9 van 9**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: