1703533

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt besproken of een belanghebbende kan kiezen tussen twee vrijstellingen bij een splitsing. De ruling bevestigt dat beide vrijstellingen onafhankelijk van elkaar beoordeeld moeten worden, wat de mogelijkheden voor belastingheffing beïnvloedt.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1703533**

Belastingdienst
VERTROUWELIJK
Belastingdienst/Grote ondernemingen/Zuid
5.1.2e
Memo Kennisgroepstandpunt 20-052-13

**Feiten/casus**
Holding heeft alle aandelen in Bouw. In Bouw wordt een aannemingsbedrijf uitgeoefend. Tevens bezit Bouw een aantal panden die ze verhuurt of wil verkopen. Om de panden uit de risicosfeer van het bouwbedrijf te halen wil men deze afsplitsen naar Vastgoed, een bij afsplitsing op te richten BV. Alle aandelen van Vastgoed komen daarbij in bezit van Holding. Onroerende zaken van Bouw die dienstbaar zijn aan het bouwbedrijf blijven in Bouw achter.

**Vraag**
**Vraaga**
Belanghebbende (Vastgoed) kan in principe kiezen uit de toepassing van twee vrijstellingen, namelijk, de interne-reorganisatievrijstelling (art 5b Ubbr) en de splitsingsvrijstelling (art 5c Ubbr).
Belanghebbende vraagt de splitsingsvrijstelling (art 5c Ubbr).
Is het juist dat belanghebbende in principe de keus heeft uit twee vrijstellingen, afgezien van het voldoen aan de specifieke voorwaarden ervan? Kan men ook redeneren dat de vereiste concernrelatie pas ontstaat bij wege van de splitsing, en dus de verkrijgende vennootschap strikt genomen op het moment van de splitsing nog niet tot het concern behoorde waarvan de splitsende vennootschap deel uit maakt? (De verkrijging bij wege van splitsing (nl. tegen – doorgaans – uitreiking van aandelen) vindt dan buiten concern plaats. Dit is slechts anders wanneer vastgoed wordt afgesplitst naar een bestaande (concern-) vennootschap. Zie hiervoor: MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 2, V-N 1996, p. 1893, punt 10.)

**Vraag b**
Belanghebbende (Vastgoed) kan in principe kiezen uit de toepassing van twee vrijstellingen, namelijk, de interne-reorganisatievrijstelling (art Sb Ubbr) en de splitsingsvrijstelling (art 5c Ubbr).
Belanghebbende vraagt de splitsingsvrijstelling (art 5c Ubbr).
Is het juist dat belanghebbende in principe de keus heeft uit twee vrijstellingen, afgezien van het voldoen aan de specifieke voorwaarden ervan?
– Kan men ook redeneren dat de interne-reorganisatievrijstelling een voorwaardelijke vrijstelling is die daarom niet kan dienen als onderbouwing dat de afsplitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Het is immers niet zeker dat de belasting niet alsnog wordt verschuldigd omdat wellicht niet gedurende drie jaren aan de voorwaarden van de interne-reorganisatievrijstelling wordt voldaan.

**VERTROUWELIJK**
Corporate Dienst
Vaktechniek
Croeselaan 14
3521 CA Utrecht
Postbus 18280
3510 CG Utrecht
www.belastingdienst.nl

**Contactpersoon**
5.1.2e
**Datum**
7 oktober 2020
**Versienummer**
1.0
**Behandeld door**
5.1.2e
**Kopie aan**
5.1.2e
**Bijlage**
Pagina 1 van 3

**Vraag c**
Stel de interne-reorganisatievrijstelling en de splitsingsvrijstelling kunnen in principe beide worden gevraagd. Als de splitsingsvrijstelling wordt gevraagd, geldt op grond van de eerste zin van artikel 5c, eerste lid, Ubbr dat de splitsing is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, tenzij de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Betekent dit dat er geen ontgaan of uitstellen van belastingheffing is doordat belanghebbende ook de interne-reorganisatievrijstelling kan toepassen, waardoor sowieso geen overdrachtsbelasting verschuldigd zal zijn? Hierbij wordt veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de interne-reorganisatievrijstelling van toepassing zal zijn. Consequentie hiervan is dat a. het bewijsvermoeden van de tweede volzin van artikel 5c, eerste lid Ubbr niet meer aan de orde komt en b. belanghebbende daardoor de splitsingsvrijstelling krijgt. Is dit juist?

**Vraag d**
Stel de interne-reorganisatievrijstelling en splitsingsvrijstelling kunnen in principe beide worden gevraagd. Als de splitsingsvrijstelling wordt gevraagd, geldt op grond van de eerste zin van artikel 5c, eerste lid Ubbr dat de splitsing is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, tenzij de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Betekent dit dat bij de beoordeling van het ontgaan of uitstellen van belastingheffing niet het eventueel kunnen toepassen van de interne reorganisatievrijstelling in de overweging wordt betrokken? Consequentie hiervan is dat a. de splitsingsvrijstelling los van de interne reorganisatievrijstelling wordt getoetst en b. dat de tweede volzin van artikel 5c, eerste lid Ubbr wel aan de orde komt. Is dit juist?

**Antwoord**
**Antwoord vraag a**
In dit geval is wel sprake van een verkrijging binnen concern. Er is weliswaar sprake van gelijktijdige gebeurtenissen, maar de transacties oprichting en verkrijging dienen volgtijdig te worden uitgelegd.

**Antwoord vraag b**
– Ja, belanghebbende kan zich op beide vrijstellingen beroepen.
– De tweede vraag is niet geheel duidelijk. Het is echter wel zo dat de beantwoording van de vraag of de afsplitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, niet afhangt van het feit dat in het voorgelegde geval ook beroep zou kunnen worden gedaan op interne organisatievrijstelling.

**Antwoord vraag c**
Nee, dat antwoord is niet juist. Beide vrijstellingen kennen elk hun eigen toetsingskader die in de voorgelegde situatie, elk onafhankelijk van elkaar, op eigen merites moeten worden beoordeeld. Zie ook het antwoord bij vraag b.

**Antwoord vraag d**
Nee, het antwoord is niet juist. Zie het antwoord bij vraag c.

**Beschouwing/Toelichting** (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)
In de kern komt de vraag er op neer of bij samenloop van de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 5b en 5c Ubbr belanghebbende onder omstandigheden een keuzemogelijkheid heeft. Omdat er sprake is van een (af)splitsing geldt in eerste instantie de splitsingsvrijstelling mits aan de in het UBBR gestelde voorwaarden wordt voldaan. De keuzemogelijkheid leidt ertoe dat er eventueel ook gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling bij interne reorganisatie. Zelfs nog als later blijkt dat niet wordt voldaan aan de eisen van de splitsingsvrijstelling. Voorafgaand moet in dat geval eerst worden beoordeeld of, ten tijde van de verkrijging door Vastgoed, er (reeds) sprake was van een concern als bedoeld in artikel 5b Ubbr. Uit het feitencomplex blijkt immers “een bij afsplitsing op te richten BV” (lees: Vastgoed) waarvan de aandelen in bezit van Holding komen. Omdat de heffing van overdrachtsbelasting is gebaseerd op het civiele recht en Vastgoed pas (goederenrechtelijk) onroerende zaken kan verkrijgen ná de oprichting, dienen de transacties volgtijdig te worden uitgelegd. Met andere woorden ook al zou je kunnen/moeten concluderen dat op één en hetzelfde moment onroerende zaken van Bouw worden verkregen door Vastgoed tegen uitreiking van aandelen Vastgoed aan Holding!, dan nog gaan we voor de toepassing van de vrijstelling uit van twee volgtijdige transacties. Nu vast staat dat binnen concernverband (als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, Ubbr) wordt verkregen kan de verkrijging worden getoetst aan beide vrijstellingsbepalingen. Deze bepalingen kennen elk hun eigen voorwaarden die onafhankelijk van elkaar kunnen en moeten worden getoetst. De ontgaanstoets van artikel 5c Ubbr ligt namelijk niet besloten in de splitsing zelf, maar in de keuze voor een splitsing. Het ontgaan betreft dan de situatie waarin doorgaans belasting verschuldigd zou zijn wanneer niet de weg van splitsing voor de hand zou hebben gelegen maar een andere weg zoals bij voorbeeld de verkrijging van de activa.
[GEANONIMISEERD]

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *