AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de inhoudingsvrijstelling van toepassing is op dividenduitkeringen binnen een fiscale eenheid. De kennisgroep concludeert dat de inhoudingsvrijstelling ook van toepassing is wanneer een moedermaatschappij dividend uitkeert op aandelen die door een dochtermaatschappij worden gehouden.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
VERTROUWELIJK
**Helpdeskvraag**
Dividendbelasting artikel lid onderdeel van de Wet op de dividendbelasting 1965
**Datum inbreng**
15 april 2019
**Vraag**
Is de inhoudingsvrijstelling van artikel lid onderdeel van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna de inhoudingsvrijstelling) ook van toepassing als een moedermaatschappij van een fiscale eenheid dividend uitkeert op aandelen die in het bezit zijn van een van haar gevoegde dochtermaatschappijen?
**Versienummer**
Referentienummer DIV 019 024 010
**Datum vaststelling**
14 juni 2019
**Antwoord**
Ja, de inhoudingsvrijstelling is ook van toepassing als een moedermaatschappij van een fiscale eenheid dividend uitkeert op aandelen die in het bezit zijn van een van haar gevoegde dochtermaatschappijen.
**Vastgesteld door**
Auteur
**Feiten**
In het kort zijn de feiten als volgt:
Een beursgenoteerde vennootschap en haar dochtervennootschap vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De dochtermaatschappij kent aan werknemers opties toe. Ter afdekking van haar verplichtingen uit hoofde van dat optieplan koopt zij op de beurs aandelen in haar moedervennootschap. Vervolgens keert de moedervennootschap dividend uit op al haar aandelen, waaronder de dividenden die door haar dochtervennootschap worden gehouden.
**Beschouwing**
De vraagsteller wil weten of de inhoudingsvrijstelling van toepassing is op het dividend voor zover dat aan de dochtermaatschappij wordt uitgekeerd. Die bepaling luidt als volgt: Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10 eerste lid onderdeel van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 indien de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de aandelen, winstbewijzen en geldleningen bij de opbrengstgerechtigde behoren tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming.
Grammaticaal is in zoverre voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling dat de inhoudingsplichtige de moedermaatschappij en de opbrengstgerechtigde de dochtermaatschappij onmiskenbaar onderdeel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid. De vraagsteller vraagt zich echter af of de inhoudingsvrijstelling wel van toepassing is nu het aandelenbelang in een moedermaatschappij, anders dan een aandelenbelang in een dochtermaatschappij, geen belang binnen een fiscale eenheid is. De kennisgroep ziet hierin geen reden tot ontzegging van de inhoudingsvrijstelling. De eis is immers dat de beide vennootschappen deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid en niet of de fiscale eenheid is gevormd langs die aandelenlijn.
Ook op basis van een teleologische interpretatie van artikel lid onderdeel meent de kennisgroep dat de inhoudingsvrijstelling van toepassing is. De kennisgroep baseert dat op de toelichting van de staatssecretaris in het vervallen Besluit Staatssecretaris van Financiën 29 april 2004 CPP2004 335M BNB 2004 255, waarvan artikel lid onderdeel een codificatie vormt. Ook onder de nieuwe regeling van de fiscale eenheid is een inhoudingsvrijstelling voor uitdelingen binnen fiscale eenheid echter wenselijk. Daarmee worden de inhoudingen en afdracht van de dividendbelasting enerzijds en de verrekening daarvan in het kader van de heffing van vennootschapsbelasting anderzijds kortgesloten. Binnen de ondernemingsverhoudingen, maar ook binnen fiscale eenheid, bestaat daartegen geen bezwaar.
De kennisgroep maakt hieruit op dat de bedoeling van de inhoudingsvrijstelling vooral is gelegen in het onnodig inhouden van dividendbelasting binnen concernverhoudingen achterwege te laten. In het voorgelegde geval meent de kennisgroep dat dit fortiori geldt nu de inhoudingsplichtige de moedermaatschappij en degene die die dividendbelasting verrekent met de vennootschapsbelasting eveneens de moedermaatschappij een en hetzelfde lichaam zijn. De kennisgroep ziet op basis van een teleologische interpretatie dan ook geen reden om af te wijken van de grammaticale interpretatie.
De kennisgroep concludeert dat de inhoudingsvrijstelling van toepassing is.
Geef een reactie