rul-20260915-atr-000008

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van gelieerdheid tussen de inhoudingsplichtige en de voordeelgerechtigde voor de toepassing van de Wet bronbelasting 2021.

Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X is een stichting opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Voor de financiering van haar activiteiten heeft X financieringsovereenkomsten gesloten met Y1 en Y2. Op deze financieringsovereenkomsten wordt rente betaald. In Nederland zijn [1 – 10] personen werkzaam ten behoeve van X.

Y1 en Y2 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land dat is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden (land 1). De aandelen in Y1 en Y2 worden gehouden door Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land 2).

Y1, Y2 en Z hebben geen zeggenschap over het bestuur of de besluitvorming van X. In verband met de financiering bestaan bepaalde nominatie- en raadplegingsrechten. Deze rechten verschaffen Y1, Y2 en Z geen beslissende invloed bij X.

Rechtskader

Het verzoek heeft betrekking op de vraag of sprake is van gelieerdheid tussen X en respectievelijk Y1 en Y2 als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB).

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). De relevante activiteiten worden voor rekening en risico van X uitgeoefend en passen bij de functies van X.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. Hoewel sprake is van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden, ziet de gevraagde zekerheid vooraf uitsluitend op de vraag of sprake is van gelieerdheid tussen X en respectievelijk Y1 en Y2. In de parlementaire geschiedenis bij de Wet BB is toegelicht dat zekerheid vooraf kan worden gevraagd over de vraag of in een concrete situatie sprake is van gelieerdheid met een in een laagbelastende jurisdictie gevestigde voordeelgerechtigde (Kamerstukken II 2019/20, 35 305, nr. 6, p. 35). In het gegeven geval kan daarom zekerheid vooraf worden verstrekt.

3. X is als een in Nederland gevestigde stichting een inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BB. Y1 en Y2 zijn op grond van de respectievelijke financieringsovereenkomsten gerechtigd tot de voordelen in de vorm van renten en zijn daarmee voordeelgerechtigden als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BB.

4. Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet BB is sprake van een aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige indien sprake is van een van de zes in dat onderdeel genoemde situaties van gelieerdheid. Van een kwalificerend belang is sprake indien direct of indirect een zodanige invloed op de besluitvorming kan worden uitgeoefend dat daarmee de activiteiten van het andere lichaam kunnen worden bepaald.

5. Y1 en Y2 hebben geen kwalificerend belang in X. De aan de financiering verbonden rechten verschaffen Y1 en Y2 geen zodanige invloed op de besluitvorming van X dat zij de activiteiten van X kunnen bepalen. Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet BB is daarom niet van toepassing.

6. X heeft geen onmiddellijk of middellijk belang in Y1 en Y2. Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 2° en 5°, van de Wet BB is daarom niet van toepassing.

7. Z heeft een kwalificerend belang in Y1 en Y2. Z heeft echter geen kwalificerend belang in X. Er is derhalve geen sprake van een derde die een kwalificerend belang heeft in zowel X als Y1 en Y2. Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, van de Wet BB is daarom niet van toepassing.

8. Y1 en Y2 vormen noch onderling, noch met Z, noch met enig ander lichaam een kwalificerende eenheid. Daarnaast hebben Y1 en Y2, ook gezamenlijk met Z, geen kwalificerend belang in X. Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 4°, van de Wet BB is daarom niet van toepassing.

9. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid van lichamen die gezamenlijk een kwalificerend belang hebben in zowel X als Y1 en Y2. Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 6°, van de Wet BB is daarom niet van toepassing.

10. Voorgaande betekent dat niet voldaan wordt aan één van de zes situaties van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB met betrekking tot de gelieerdheid tussen X en respectievelijk Y1 en Y2.

Conclusie

Tussen X en respectievelijk Y1 en Y2 is geen sprake van gelieerdheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet BB.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 20 mei 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *