Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2022 tot en met 2026.
Feiten
X is een vennootschap gevestigd in Nederland met [11 – 25] personeelsleden in Nederland. X is actief in de gezondheidssector. X ontwikkelt en exploiteert een product voor de Nederlandse markt. Y is een gelieerde vennootschap gevestigd buiten de Europese Unie. Y levert ondersteunende diensten aan X.
De aangiften vennootschapsbelasting tot en met 2025 (aangiften Vpb) zijn reeds ingediend. Daarnaast zijn de activiteiten van Y in 2026 beëindigd.
Het verzoek is ingetrokken.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter te voldoen. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.
2. Op grond van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter in combinatie met artikel 2b van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is sprake van een voorafgaande grensoverschrijdende ruling indien de ruling tot stand komt vóórdat de belastingaangifte is ingediend (over het tijdvak waarin de betreffende transactie heeft plaatsgevonden). Tijdens de behandeling van het desbetreffende verzoek is gebleken dat de aangiften Vpb tot en met 2025 reeds zijn ingediend. In deze aangiften is de transactie verwerkt waarop het verzoek voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ziet. Daarnaast zijn de activiteiten van Y in 2026 beëindigd.
3. Gelet op de ingediende aangiften Vpb is er voor de jaren tot en met 2025 geen sprake van het verkrijgen van zekerheid vooraf. Daarnaast zijn de activiteiten van Y in 2026 beëindigd. X heeft het verzoek ingetrokken. Daarom is een verdere inhoudelijke analyse van het verzoek achterwege gebleven.
Conclusie
Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie