Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, of sprake is van een omgekeerd hybride lichaam en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. De beherend vennoot van X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. De groep waartoe X behoort, houdt zich bezig met het investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Dit doet de groep met kapitaal ingebracht door verschillende investeerders in verschillende investeringsfondsen. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers.
Het doel van X is om kapitaal op te halen bij investeerders die als commanditaire vennoten zullen toetreden. Het kapitaal van X zal worden gebruikt om additioneel geld te verstrekken aan geselecteerde portfoliovennootschappen die reeds eerder zijn gekocht door één van de actieve fondsen van het concern. X stort het opgehaalde geld indirect in de betreffende portfoliovennootschap in ruil voor een aandelenbelang. Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van X, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. X heeft eigen kantoorruimte ter beschikking.
Vermoedelijk kwalificeert X op grond van het fiscale recht van het land van vestiging van de buitenlandse commanditaire vennoten als niet transparant. X kwalificeert tevens als alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR).
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Voor de kwalificatie van de commanditaire vennootschap zijn de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en het begrip fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en het Fondsenbesluit 2025 relevant.
Ook verzoekt men om te bevestigen dat X geen omgekeerd hybride lichaam is als bedoeld in artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid van de Wet Vpb. Relevant hierbij is het standpunt van 23 mei 2024 van de Kennisgroep belastingplicht & kwalificatie rechtsvormen, KG:211:2024:9.
Ten slotte ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat de niet in Nederland gevestigde commanditaire vennoten van X buitenlands belastingplichtig zijn als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant. Van deze kwalificatie wordt afgeweken indien de commanditaire vennootschap vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB.
4. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X te voldoen aan de vereisten van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit 2025 relevant is. Er kan slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening of transparant fonds indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. X is niet aan te merken als een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, omdat X activiteiten verricht die het beleggingscriterium te boven gaan. X drijft namelijk een materiële onderneming. Dit betekent dat X op grond van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen transparant is naar Nederlandse fiscale maatstaven.
5. Vervolgens is gekeken naar artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid van de Wet Vpb om vast te stellen of X kwalificeert als een omgekeerd hybride lichaam. Indien op grond van het fiscale recht van het land van vestiging van de buitenlandse commanditaire vennoten X ook als transparant heeft te gelden, dan is geen sprake van een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid van de Wet Vpb.
6. Indien de kwalificatie van X op grond van het fiscale recht van de buitenlandse commanditaire vennoten anders zou zijn, dan kan X alsnog niet worden aangemerkt als een omgekeerd hybride lichaam. Op grond van artikel 2, twaalfde lid van de wet Vpb wordt onder een omgekeerd hybride lichaam niet verstaan, kort gezegd, een samenwerkingsverband dat belegt in effecten, een gediversifieerde portefeuille aanhoudt en dat kwalificeert als een instelling voor collectieve belegging in effecten of een alternatieve beleggingsinstelling. X is een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 2, twaalfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Op grond hiervan kwalificeert X niet
als een omgekeerd hybride lichaam in de zin van artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
7. De buitenlandse commanditaire vennoten houden een belang in X en kunnen mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig worden. Op grond van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb kan een buitenlandse vennootschap aangemerkt worden als buitenlands belastingplichtige indien zij deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten in de commanditaire vennootschap buitenlands belastingplichtig kunnen zijn indien de commanditaire vennootschap een onderneming drijft naar Nederlandse fiscale maatstaven.
8. De investeringsactiviteiten van X worden gekenmerkt door een actief selectiebeleid en actieve betrokkenheid (beleidsmatige invloed) bij de portfoliovennootschappen en ontstijgen het beleggingscriterium. Deze activiteiten worden vanuit Nederland verricht. X drijft een materiële onderneming in Nederland voor toepassing van de Nederlandse belastingwet.
9. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten van X worden geacht in Nederland inkomen te genieten op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, in combinatie met de fictie van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb met betrekking tot hun belang in X. Om uitvoer te geven aan de Nederlandse belastingplicht van de buitenlandse commanditaire vennoten hebben deze vennoten bij fictie een vaste inrichting in Nederland. Een evenredig gedeelte van alle activa en passiva van X alsmede de daarmee verband houdende resultaten wordt toegerekend aan de vaste inrichting van de buitenlandse commanditaire vennoten.
Conclusie
X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant.
X kwalificeert niet als omgekeerd hybride lichaam.
De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 5 mei 2026 tot en met 31 december 2030.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie