Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of leden van een houdstercoöperatie geen kwalificerend lidmaatschapsrecht houden voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
Z is een besloten vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. Z is de tophoudster van een internationaal concern dat actief is in de industriële sector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door Z en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [151 – 300] werknemers.
De aandelen in Z zijn gecertificeerd. De aandelen worden gehouden door Y, een stichting opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. De certificaten van aandelen worden onder andere gehouden door werknemers van het concern.
Het concern is voornemens de certificaten van aandelen onder te brengen in X, een coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. Uiteindelijk worden de certificaathouders, al dan niet via een persoonlijke houdstermaatschappij, lid van X. Geen van de leden houdt een lidmaatschapsrecht dat recht geeft op ten minste 5% van de jaarwinst van X dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie van X wordt uitgekeerd.
X kwalificeert als een houdstercoöperatie als bedoeld in artikel 1, achtste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er geen sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht in een houdstercoöperatie voor de dividendbelasting als bedoeld in artikel 1, zevende lid, van de Wet DB.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Als laatste is een nadere toelichting gevraagd aan X over de eis dat het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties mag zijn. Aangezien niet tegemoet kan worden gekomen aan het inhoudelijke verzoek van X, is een uiteindelijk oordeel over dit vereiste niet nodig.
4. Op grond van artikel 1, zevende lid, van de Wet DB is een kwalificerend lidmaatschapsrecht een lidmaatschapsrecht van een lid van een houdstercoöperatie dat, al dan niet tezamen met de lidmaatschapsrechten van andere leden van die houdstercoöperatie die met het betreffende lid zijn verbonden in de zin van artikel 10a, vierde tot en met zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), recht geeft op ten minste 5% van de jaarwinst van de houdstercoöperatie dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd. Daarbij worden op grond van artikel 10a, zesde lid, van de Wet Vpb ook de lidmaatschapsrechten van leden die een samenwerkende groep vormen in aanmerking genomen bij de beoordeling of sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht.
5. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip "samenwerkende groep" voor de toepassing van artikel 1, zevende lid, van de Wet DB dient te worden ingevuld aan de hand van een materiële benadering, waarbij onder meer van belang is of de bundeling van portfoliobelangen gecoördineerd plaatsvindt (Kamerstukken I 2016/17, 34 552, E, p. 52 en Kamerstukken II 2017/18, 34 788, nr. 3, p. 16–17). Daarbij vindt de beoordeling plaats aan de hand van het geheel van de tussen partijen gesloten overeenkomsten en de feitelijke gedragingen van de betrokken partijen. In het gegeven geval is sprake van een bundeling van de certificaten in Z die gecoördineerd plaatsvindt.
6. Gelet op het vorenstaande en op basis van de feiten en omstandigheden is geconcludeerd dat de groep natuurlijke personen die lid zijn van X een samenwerkende groep vormt als bedoeld in artikel 1, zevende lid, van de Wet DB. Gelet hierop is voor deze groep sprake van een kwalificerend lidmaatschapsrecht en kan niet tegemoet worden gekomen aan het verzoek van belanghebbende. Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen.
Conclusie
Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
Het voorgaande zal in beginsel in het reguliere toezicht betrokken worden.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie