Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk gevestigd in Nederland. Zij behoort tot een internationaal opererend concern. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [301 – 500] werknemers.
X houdt een belang (lidmaatschapsrechten) in Y. Y is een lichaam opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie. De activiteiten van Y liggen in het verlengde van de werkzaamheden van de groep waartoe X behoort.
De rechtsvorm van Y is vergelijkbaar met een Nederlandse coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X in Y. Zoals in de feiten is opgenomen, is de rechtsvorm van Y vergelijkbaar met een Nederlandse coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag. Het lidmaatschapsrecht van X in Y kwalificeert derhalve als deelneming in de zin van artikel 13, tweede lid, onderdeel c van de Wet Vpb.
4. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en Y derhalve niet dient te worden aangemerkt als beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Y is een actieve coöperatie die activiteiten verricht die in het verlengde liggen van de activiteiten van X en het Nederlandse deel van het concern. Y wordt aldus door X niet als belegging gehouden. Om deze reden is voldaan aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
5. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van X in Y.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X in Y.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie