Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
X en Z zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk gevestigd in Nederland. Zij behoren tot een internationaal opererend concern dat actief is in de handelssector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [151 – 300] werknemers.
Staak 1
X houdt deelnemingen in A, B en, via het transparante samenwerkingsverband P, in C. Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van X, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor aansturing van de deelnemingen en zal in dat kader mede verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen.
A houdt een deelneming in zowel D als E. D en E houden beide een deelneming in F. B houdt, evenals X, lidmaatschapsrechten in C.
A, B en E (vennootschappen) en C (een coöperatie) zijn opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. D en F zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland 1). F drijft een materiële onderneming in verdragsland 1.
Y, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland 2). Y drijft in verdragsland 2 een materiële onderneming en is actief betrokken bij het aansturen van X en haar deelnemingen. Verdragsland 2 is niet opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor
belastingdoeleinden. Y heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Y is in verdragsland 2 onderworpen aan een winstbelasting.
Y wordt direct en indirect gehouden door diverse vennootschappen eveneens gevestigd in verdragsland 2.
Staak 2
Z houdt, via het transparante samenwerkingsverband P, deelnemingen in B en C. Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van Z, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor aansturing van de deelnemingen en zal in dat kader mede verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen.
C houdt deelnemingen in H, I en J 1 t/m 27. H en I zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. J 1 t/m 27 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van het buitenland en feitelijk in het buitenland gevestigd. J 1 t/m 27 drijven allemaal een materiele onderneming. De activiteiten van deze vennootschappen liggen in het verlengde van de activiteiten van het concern in haar geheel.
V, de directe aandeelhouder van Z, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 2. V wordt aangemerkt als een hybride entiteit (voor Nederlandse fiscale doeleinden als een niet-transparante entiteit, voor verdragsland 2 als transparante entiteit).
V heeft een hoofdkantoorfunctie en drijft in verdragsland 2 een materiële onderneming. Zij is actief betrokken bij het aansturen van Z en haar deelnemingen. V heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie.
V wordt gehouden door W. W is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 2. W drijft geen materiële onderneming. W wordt gehouden door U. U is een niet-houdster coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. U houdt, naast haar deelneming in W, ook een belang in F.
D, F, Y, V, W, J 1 t/m 27 hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van D, F, Y, V, W, J 1 t/m 27 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Er zijn in het buitenland wonende natuurlijke personen met een direct of indirect belang van 5% of meer in de verschillende Nederlandse vennootschappen of coöperaties.
Rechtskader
Het verzoek van A, E, U en C om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Tevens ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat Y en V niet buitenlands belastingplichtig zijn voor hun belang in X respectievelijk Z als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
Het verzoek ziet eveneens op zekerheid vooraf over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door Y en V voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belangen in X respectievelijk Z.
Tot slot ziet er verzoek op zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor uitkeringen van X aan Y en van Z aan V.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en Z uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X en Z binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
Staak 1
Deelnemingsvrijstelling
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van A in D. A houdt meer dan 5% van de aandelen in D. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van D is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wetswijziging in het buitenland is geen sprake. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
4. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en D derhalve niet dient te worden aangemerkt als een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. F, de deelneming van D, is een operationele vennootschap. Zij verricht activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. D, en ook A, schakelen tussen de bedrijfsmatige activiteiten van het concern en de activiteiten van F. D wordt aldus door A niet als belegging gehouden. Om deze reden is voor D aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, voldaan.
5. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van A in D.
6. Er is eveneens beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van E in F. E houdt meer dan 5% van de aandelen in F. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van F is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wetswijziging in het buitenland is geen sprake. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
7. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en F derhalve niet dient te worden aangemerkt als een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Op basis van de parlementaire geschiedenis wordt aan deze toets voldaan indien de deelneming een materiële onderneming drijft en de ondernemingsactiviteiten van de deelneming overeenkomen met de activiteiten van het concern. F drijft een materiële onderneming. E schakelt tussen de activiteiten van F en de activiteiten van het concern. Het oogmerk van het houden van F is om een hoger rendement te behalen dan wat bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. F wordt niet als belegging gehouden in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
8. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van E in F.
Buitenlandse belastingplicht
9. Y kan mogelijk buitenlands belastingplichtig zijn naar aanleiding van haar belang in X op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige, in dit geval Y, het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (“objectieve toets”). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
10. In het gegeven geval zijn er uiteindelijk natuurlijke personen die een (indirect) belang van meer dan 5% houden in X. Dit betekent dat sprake kan zijn van het ontgaan van inkomstenbelasting. De objectieve toets moet worden toegepast.
11. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is geen sprake van een kunstmatige constructie indien sprake is van een van de volgende situaties: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend; of b) de directe aandeelhouder fungeert als tussenhoudster en beschikt over voldoende relevante substance (artikel 2d Uitv.besch. Vpb). Ingeval sprake is van relevante substance als bedoeld in artikel 2d Uitv.besch. Vpb kan de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
12. Y drijft een materiële onderneming. De aandelen van X kunnen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen van Y. Dit betekent dat op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis er geen sprake is van een kunstmatige constructie en Y naar aanleiding van haar belang in X niet als buitenlands belastingplichtig kan worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 17 en 17a van de Wet Vpb. In het gegeven geval is er geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.
Conditionele bronbelasting op dividenden
13. Er is beoordeeld of sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Eerst is gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 2, is enig aandeelhouder van X. Y geniet voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van haar
belang in X. X kwalificeert als een aan Y, de voordeelgerechtigde, gelieerde inhoudingsplichtige.
14. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Verdragsland 2 is geen laagbelastende jurisdictie. Omdat Y is gevestigd in verdragsland 2, is Y niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van haar belang in X op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.
15. Y heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en is derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
16. Beoordeeld is vervolgens of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – Y is gevestigd in een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, en gerechtigd is tot de dividenden uit hoofde van haar belang in X met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
17. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties. Y drijft een materiële onderneming. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.
18. Aangezien de voordeelgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen d en e van de Wet BB.
Inhoudingsvrijstelling
19. X wordt gehouden door Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie (EU) of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER). Y, de opbrengstgerechtigde, houdt op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
20. Aangezien de opbrengstgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
21. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid onderdelen a en b van de Wet DB van toepassing zijn. Y wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
22. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
23. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is in ieder geval geen sprake van een kunstmatige constructie indien sprake is van een van de volgende situaties: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend; of b) de directe aandeelhouder heeft geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (artikel 1bis Uitv.besch. DB). Ingeval sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in artikel 1bis Uitv.besch. DB kan de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB.
24. Y drijft een materiële onderneming. De aandelen van X kunnen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen van Y. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van een kunstmatige constructie en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling. In het gegeven geval is geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.
Staak 2
Deelnemingsvrijstelling
25. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van C in J 1 t/m 27. C houdt meer dan 5% van de aandelen in J 1 t/m 27. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van J 1 t/m 27 zijn allemaal opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wetswijziging in het buitenland is geen sprake. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
26. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en J 1 t/m 27 derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende
lid van de Wet Vpb. J 1 t/m 27 zijn allemaal operationele deelnemingen. Zij verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. C schakelt tussen de bedrijfsmatige activiteiten van het concern en de activiteiten van J 1 t/m 27. J 1 t/m 27 worden aldus door C niet als belegging gehouden. Om deze reden is ten aanzien van J 1 t/m 27 voldaan aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
27. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ten aanzien van het belang van C in J 1 t/m 27.
28. Er is eveneens beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van U in F. U houdt meer dan 5% van de aandelen in F. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van F is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wetswijziging in het buitenland is geen sprake. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
29. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en F derhalve niet dient te worden aangemerkt als een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Op basis van de parlementaire geschiedenis wordt aan deze toets voldaan indien de deelneming een materiële onderneming drijft en de ondernemingsactiviteiten van de deelneming overeenkomen met de activiteiten van het concern. F drijft een materiële onderneming welke in het verlengde ligt van de materiële onderneming van U. Het oogmerk van het houden van F is om een hoger rendement te behalen dan wat bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. F wordt door U niet als belegging gehouden in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
30. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ten aanzien van het belang van U in F.
Buitenlandse belastingplicht
31. V kan mogelijk buitenlands belastingplichtig zijn naar aanleiding van haar belang in Z op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige, in dit geval V, het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (“objectieve toets”). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
32. In het gegeven geval zijn er uiteindelijk natuurlijke personen die een (indirect) belang van meer dan 5% houden in Z. Dit betekent dat sprake kan zijn van het ontgaan van inkomstenbelasting. De objectieve toets moet worden toegepast.
33. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is geen sprake van een kunstmatige constructie indien sprake is van een van de volgende situaties: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend; of b) de directe aandeelhouder fungeert als tussenhoudster en beschikt over voldoende relevante substance (artikel 2d Uitv.besch. Vpb). Ingeval sprake is van relevante substance als bedoeld in artikel 2d Uitv.besch. Vpb kan de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
34. V drijft een materiële onderneming. De aandelen van Z kunnen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen van V. Dit betekent dat op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis er geen sprake is van een kunstmatige constructie en V naar aanleiding van haar belang in Z niet als buitenlands belastingplichtig kan worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 17 en 17a van de Wet Vpb. In het gegeven geval is er geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.
Conditionele bronbelasting op dividenden
35. Er is beoordeeld of sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Eerst is gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. V, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 2, is enig aandeelhouder van Z. V geniet voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van haar belang in Z. Z kwalificeert als een aan V, de voordeelgerechtigde, gelieerde inhoudingsplichtige.
36. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Verdragsland 2 is geen laagbelastende jurisdictie. Omdat V is gevestigd in verdragsland 2, is V niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van haar belang in Z op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.
37. V heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en is derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
38. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is ten aanzien van V. Zoals in de feiten is opgemerkt wordt V voor fiscale doeleinden van verdragsland 2 aangemerkt als een transparante entiteit. Dat betekent dat V niet volgens de fiscale regelgeving van een staat in die staat is gevestigd. Om deze reden blijft toepassing van de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB achterwege.
39. V wordt voor fiscale doeleinden van verdragsland 2 aangemerkt als transparante entiteit en wordt aldaar niet behandeld als de gerechtigde tot de voordelen in de vorm van dividenden.
V zou belastingplichtig kunnen zijn op basis van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB, tenzij de uitzondering van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB van toepassing is.
40. Op grond van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB dient vastgesteld te worden of er een achterliggende gerechtigde is die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt. Vervolgens dient getoetst te worden, indien sprake is van een achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang, of de achterliggende gerechtigde die wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen bronbelasting zou zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d zonder tussenkomst van in dit geval V. Daarnaast kan de bronbelasting ook achterwege blijven als er geen achterliggende gerechtigde is die een kwalificerend belang heeft in V.
41. Het belang in V wordt gehouden door W. Het belang in W wordt gehouden door U. U drijft een materiële onderneming. W zou zonder tussenkomst van V geen bronbelasting zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d. V is op grond van het voorstaande niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB.
Inhoudingsvrijstelling
42. Z wordt gehouden door V, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. Voor de beoordeling van artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is V in beginsel de opbrengstgerechtigde. Echter, omdat V volgens de fiscale wetgeving van verdragsland 2 niet aldaar is gevestigd, voldoet V niet aan de voorwaarden van artikel 4, tweede lid, van de Wet DB.
43. Beoordeeld is of op grond van artikel 4, negende lid, van de Wet DB, de achterliggende gerechtigde in V, W, als de opbrengstgerechtigde zou kunnen worden aangemerkt voor toepassing van dat artikel. W wordt in verdragsland 2 aangemerkt als de gerechtigde tot de opbrengst van de aandelen in Z.
44. Vervolgens is getoetst of de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, van de Wet DB van toepassing zou zijn geweest indien W haar middellijke belang in Z onmiddellijk zou hebben gehouden.
45. W is een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in verdragsland 2. W, houdt op het toetsingsmoment een belang in Z waarop, indien zij haar middellijke belang in Z onmiddellijk had gehouden, de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien W in Nederland was gevestigd.
46. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid onderdelen a en b van de Wet DB van toepassing zijn. W wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
47. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan
(“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
48. Op grond van de voorgaande toetsen is beoordeeld of op basis van alle relevante gegevens sprake is van een kunstmatige constructie. Het houden van de aandelen in Z door W (via V) is niet gericht op het ontgaan van de heffing van Nederlandse dividendbelasting. Door W en haar groepsvennootschappen wordt in verdragsland 2 een reële economische functie vervuld. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling. In het gegeven geval is geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van E in F, het belang van A in D, de belangen van C in J 1 t/m 27 en het belang van U in F.
Y en V zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb voor hun belang in X respectievelijk Z.
Y en V zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde hun belang in X respectievelijk Z op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.
Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y en van Z aan V geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X en Z dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie