rul-20260714-atr-000003

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.

Feiten

X is een commanditaire vennootschap die is aangegaan naar het recht van Nederland. De enige commanditaire vennoot (Y) is in het buitenland gevestigd. De beherend vennoot van X is een besloten vennootschap die is opgericht naar het recht van Nederland en ook feitelijk in Nederland is gevestigd. Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat X naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant is.

X is onderdeel van een concern dat actief is in de dienstverlenende sector. Het concern oefent bedrijfseconomische operationele activiteiten uit in Nederland. Deze activiteiten worden uitgeoefend door [> 1.000] werknemers. In het kader van de activiteiten van het concern houdt het concern meerdere investeringen aan, waaronder toekomstige investeringen via X. De investeringen die X zal gaan houden, zal zij gaan houden via een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. X oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen.

Y, de commanditaire vennoot in X, is een samenwerkingsverband, aangegaan naar het recht van een lidstaat van de EU waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland A). Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat Y transparant is.

Z, de enig commanditaire vennoot in Y, is een samenwerkingsverband, aangegaan naar het recht van verdragsland A. Z heeft meerdere commanditaire vennoten. Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat Z niet transparant is.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf ziet op de bevestiging dat Y niet buitenlands belastingplichtig is als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel a en artikel 17a van de Wet Vpb.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter slechts wordt aangegaan als sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar zijn aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat X onderdeel is van een concern dat wel economische nexus heeft in Nederland.

2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Y houdt het belang in X en kan mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig worden. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Z heeft geen aanwezigheid of een vaste vertegenwoordiger in Nederland en om deze reden kan bevestigd worden dat Z geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiging zal hebben in Nederland.

4. Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. In dit geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.

Conclusie

Z, als participant in X (via Y), heeft geen vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17a Wet Vpb.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *