Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over een verrekenprijs voor het boekjaar 2025.
Feiten
X is een vennootschap gevestigd in Nederland. X maakt onderdeel uit van een multinationaal concern dat actief is in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [151 – 300] werknemers.
X functioneert binnen het concern als entrepreneur. X ontwikkelt, fabriceert en verkoopt industriële producten aan klanten wereldwijd. X bezit de gerelateerde immateriële activa en draagt de ondernemersrisico’s.
Y is een gelieerde vennootschap gevestigd in de Europese Unie. Y functioneert binnen het concern als entrepreneur voor productgroep Y. Y ontwikkelt, fabriceert en verkoopt producten uit productgroep Y aan klanten wereldwijd. Vanwege bedrijfseconomische redenen wordt de onderneming van Y gestaakt. De onderneming van Y wordt vervolgens overgedragen aan X. Na deze overdracht gaat X producten uit productgroep Y voor eigen rekening en risico fabriceren en verkopen aan klanten.
De zekerheid vooraf heeft betrekking op de arm’s-lengthvergoeding voor de overdracht van de onderneming van Y aan X.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van een arm’s-lengthvergoeding. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de overdracht van de onderneming van Y aan X een CUP aanwezig is.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven in paragraaf 6.153 en 9.69 dat waarderingsmethoden, en in het bijzonder de discounted cash flow methode, gebruikt kunnen worden om een arm’s- lengthvergoeding voor de overdracht van een onderneming te bepalen. Bij deze methode wordt de waarde van de onderneming bepaald door het contant maken van toekomstige vrije kasstromen tegen een passende disconteringsvoet. Voor de overdracht van de onderneming van Y aan X is de arm's-lengthvergoeding bepaald op basis van deze methode.
4. De bij het verzoek gevoegde waarderingsstudie is beoordeeld en passend gevonden voor de bepaling van een arm’s-lengthvergoeding voor de overdracht van de onderneming van Y aan X.
Conclusie
Partijen zijn overeengekomen dat de waardering heeft geleid tot een arm’s-lengthvergoeding voor de overdracht van de onderneming van Y aan X. De waarde van de overgedragen onderneming is vastgesteld op [€ 5 miljoen – € 10 miljoen].
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie