rul- 20260623-rulov-000013

Aanleiding

Aanleiding

X heeft verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 (hierna: Wmb 2024) ten aanzien van de afbakening van de groep waartoe zij behoort. X wenst zekerheid vooraf voor de verslagjaren 2024 tot en met 2028.

Specifiek verzoekt X of Z, een entiteit die indirect een controlerend belang houdt in X, kwalificeert als een staatsinvesteringsfonds dat een overheidsentiteit is in de zin van artikel 1.2, zesde lid, van de Wmb 2024, en mitsdien niet kwalificeert als haar uiteindelijkemoederentiteit voor toepassing van de Wmb 2024.

Feiten

Feiten

X is een rechtspersoon opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd en behoort tot een groep actief in de industriële sector. X functioneert als internationaal hoofdkantoor van de groep en houdt diverse belangen in entiteiten binnen en buiten Nederland. In Nederland worden activiteiten door [11 – 25] personeelsleden uitgeoefend. X beschikt ook over een kantoor in Nederland.

Nagenoeg alle aandelen in X worden gehouden door Y, een entiteit opgericht naar het recht van een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land A) en feitelijk aldaar gevestigd. Y is een operationele entiteit in de industriële sector. Y wordt hoofdzakelijk gehouden door Z, een rechtspersoon opgericht naar het recht van land A en volledig in handen van land A. Voor een klein deel wordt Y gehouden door een andere partij gevestigd in land A.

Z is volgens de door haar gehanteerde geaccepteerde financiële verslaggevingsstandaard verplicht haar dochterondernemingen, waaronder Y en X, op een line-by-line basis te consolideren, en is de hoogste entiteit van de consolidatiekring.

In land A zijn geen regels geïmplementeerd overeenkomstig de OESO-modelregels (OECD (2021) – Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two)), de Pijler 2-richtlijn van de EU (EU Richtlijn 2022/2523) en de Wmb 2024.

Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid over de toepassing van artikel 1.2, zesde lid, van de Wmb 2024 ten aanzien van Z. Relevant in dit kader is de definitie van ‘overheidsentiteit’ in artikel 1.2, eerste lid, van de Wmb 2024 dat de implementatie is van artikel 3, negende lid van de Pijler 2- richtlijn van de EU (EU Richtlijn 2022/2523), dat op haar beurt het equivalent is van de definitie van ‘Governmental Entity’ in artikel 10.1 van de OESO-modelregels (OECD (2021) – Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two)).

Tenslotte is relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

Overwegingen

1. Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter te voldoen. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.

2. Tijdens de behandeling van het verzoek is er twijfel ontstaan bij X of haar begrip van de activiteiten en functie van Z, relevant voor de gevraagde zekerheid, volledig en juist is. Hierop heeft X besloten het verzoek in te trekken.

Conclusie

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Bovenstaande zal in beginsel in het kader van het toezicht beoordeeld worden.

20260623 RULOV 000013 Paginanummer 2 van 2

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *