rul-20260623-atr-000006

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land 1). X behoort tot een internationaal opererend concern dat actief is in de industriële en handelssector. X is onderworpen aan een winstbelasting in land 1.

In Nederland huurt X opslagcapaciteit van derden voor de opslag van goederen. Deze goederen worden door X verhandeld. De handelsactiviteiten van X vinden plaats vanuit land 1. In Nederland beschikt X niet over een eigen kantoor of andere fysieke aanwezigheid. Eén werknemer van X, woonachtig in Nederland, verricht gedurende een beperkte periode één dag per week werkzaamheden vanuit zijn thuisadres. De werkzaamheden die de werknemer vanuit zijn thuisadres verricht, zijn van administratieve aard en hebben geen betrekking op de handelsactiviteiten.

Noch deze werknemer, noch enige andere persoon in Nederland is bevoegd om namens X overeenkomsten te sluiten.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a, en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Indien sprake is van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op basis van deze artikelen in combinatie met het geldende belastingverdrag, wordt aan de hand van de relevante bepalingen van dit belastingverdrag bepaald of Nederland kan heffen.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin, wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.

2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Er is beoordeeld of X op basis van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17 of artikel 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.

4. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ aangesloten bij het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van dit belastingverdrag in Nederland kan worden geheven.

5. X verricht, afgezien van de werkzaamheden die de werknemer vanuit zijn thuisadres verricht, geen activiteiten in Nederland. De werkzaamheden die de werknemer verricht, leiden niet tot een vaste inrichting in Nederland als bedoeld in het belastingverdrag met land 1.

6. In Nederland is evenmin een persoon aanwezig die bevoegd is om namens X overeenkomsten te sluiten en deze bevoegdheid gewoonlijk uitoefent. Derhalve is geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van X in Nederland.

Conclusie

Gelet op artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb en de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en land 1, oefent X haar onderneming voor de toepassing van de Wet Vpb niet uit met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *