rul-20260623-apa-000014

Aanleiding

X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2026, aansluitend op een eerdere unilaterale afspraak tot en met 2019. De aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren tot en met 2023 zijn reeds ingediend.

Feiten

X is een vennootschap gevestigd in de Europese Unie (EU) en maakt onderdeel uit van een multinationaal concern waarvan het hoofdkantoor is gevestigd in de EU. De X-groep is actief in de dienstverlenende sector. X heeft een vaste inrichting in Nederland met [76 – 150] personeelsleden in Nederland. (De vaste inrichting van) X houdt zich bezig met de verkoop van financiële producten en diensten in Nederland.

Het hoofdhuis van X en de vaste inrichting werken ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van de X-groep op de Nederlandse markt op intensieve wijze met elkaar samen. Tevens worden cruciale ondernemersrisico’s die inherent zijn aan de activiteiten op de Nederlandse markt gedragen en beheerst door zowel het hoofdhuis van X, zoals bijvoorbeeld het rente- en liquiditeitsrisico, als door de vaste inrichting, zoals bijvoorbeeld het kredietrisico.

De gevraagde zekerheid ziet op de zakelijke winstallocatie van de resultaten behaald op de Nederlandse markt tussen X en de vaste inrichting.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke winstallocatie aan de vaste inrichting van X. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen "verrekenprijsbesluit".

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent

Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het besluit van 15 januari 2011, nr. IFZ2010/457M en/of het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen "besluit winstallocatie vaste inrichtingen", geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE-Report.

Overwegingen

1. De vaste inrichting van X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van de vaste inrichting van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van de vaste inrichting binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling (en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. 2. Het uitgangspunt bij de winstallocatie in het besluit winstallocatie vaste inrichtingen is de Authorised OECD Approach (AOA). Deze benadering houdt in dat aan een vaste inrichting de winst toegerekend dient te worden die door de vaste inrichting zou zijn behaald indien zij een afzonderlijk ongelieerd lichaam zou zijn geweest met vergelijkbare functies, risico’s en activa, handelend onder dezelfde of overeenkomstige omstandigheden. Er is geconstateerd dat de activa en risico’s alsmede het vermogen zijn gealloceerd aan de vaste inrichting in lijn met de uitkomst van de functionele analyse. 3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s- lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat er een CUP aanwezig is. 4. De OESO-richtlijnen beschrijven dat de transactional profit split methode passend is wanneer beide partijen unieke en waardevolle contributies leveren of betrokken zijn bij zeer geïntegreerde ondernemingsactiviteiten. De transactional profit split methode verdeelt de winst tussen de contribuanten middels een contributieanalyse. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de ondernemingsactiviteiten van X en de vaste inrichting in hoge mate geïntegreerd zijn en dat X en de vaste inrichting beide belangrijke ondernemersrisico’s dragen met betrekking tot de Nederlandse markt. De transactional profit split methode is daarom een passende methode om de verrekenprijzen voor dealings tussen X en de vaste inrichting te bepalen. 5. De bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat de allocatie van de resultaten van de Nederlandse markt tussen X en de vaste inrichting overeenkomstig de uitkomsten van een contributieanalyse in overeenstemming met het arm’s-lengthbeginsel is. 6. De bij het verzoek gevoegde contributieanalyse is door de bevoegde autoriteiten beoordeeld en, na het aanbrengen van enkele aanpassingen, passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X en de vaste inrichting met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van de X-groep op de Nederlandse markt.

Conclusie

De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over een zakelijke winstallocatie van de resultaten van de Nederlandse markt tussen X en de vaste inrichting. Deze bilaterale

overeenstemming is uitgewerkt en vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X.

De bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat voor de vaststelling van de verrekenprijzen voor dealings tussen X en de vaste inrichting de toepassing van de transactional profit split methode at arm's-length is en zijn overeengekomen dat de resultaten van de Nederlandse markt verdeeld worden aan de hand van de percentages [30% – 40%]:[60% – 70%], respectievelijk toekomend aan X en aan de vaste inrichting.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2026. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren tot en met 2023 reeds zijn ingediend.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *