rul-20260616-apa-000003

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2026/2027 tot en met 2030/2031, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025/2026.

Feiten

X is een vennootschap gevestigd in Nederland met [151 – 300] personeelsleden in Nederland en maakt onderdeel uit van een internationaal opererende groep. De groep is actief in de industriële sector. Y is een gelieerde onderneming gevestigd buiten de Europese Unie.

Y is een regionaal hoofdkantoor van de groep. Y houdt zich bezig met marketingactiviteiten en de verkoop van producten aan klanten. Y bepaalt de prijzen en voorwaarden met betrekking tot de verkoop van producten aan klanten. Y draagt voorts de belangrijkste risico’s.

X opereert een centraal distributiecentrum ten behoeve van Y. De activiteiten van X omvatten het opslaan van de producten, sorteren en beheren van de voorraden, het uitvoeren van kwaliteitscontroles, de levering van de producten aan de afnemers alsmede gerelateerde administratieve activiteiten. X is geen eigenaar van de producten. X draagt beperkte risico’s en maakt geen gebruik van waardevolle activa.

De gevraagde zekerheid vooraf heeft betrekking op de arm’s-lengthbeloning voor de distributieactiviteiten verricht door X voor Y.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X in vergelijking met die van Y als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party.

3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de distributieactiviteiten van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de totale kosten gekozen als maatstaf omdat de totale kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende distributiefuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.

4. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de distributieactiviteiten die X verricht een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale kosten at arm’s-length is.

Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 5,29% bedraagt en de upper quartile 16,37%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 april 2026 tot en met 31 maart 2031.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *