Aanleiding
X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met 2024.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en hoofdkantoor van de Z-groep. De Z-groep is een internationaal opererende groep in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers.
X bepaalt het algemene strategische raamwerk van de Z-groep en houdt zich met name bezig met concerndienstverlening. X verleent concerndiensten ten behoeve van de lokale vestigingen in Nederland en in het buitenland, zowel binnen als buiten de Europese Unie (EU). De lokale vestigingen binnen de Z-groep hebben een bepaalde mate van autonomie om zelfstandig te opereren en de risico’s te dragen die samenhangen met de bedrijfsactiviteiten.
De concerndiensten van X omvatten een breed scala aan verschillende diensten, waaronder management, finance, risk management, legal & compliance, audit, corporate relations, internal procurement, HR, international office, investment office, global IT, facility management en customer strategy. De concerndiensten van X kunnen worden onderverdeeld in de volgende categorieën:
• Diensten met beperkte toegevoegde waarde: concerndiensten met een beperkt toegevoegde waarde zoals beschreven in paragraaf 6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022;
• Business support services: concerndiensten die niet onder de categorie “Diensten met beperkte toegevoegde waarde” vallen.
Bij het verlenen van concerndiensten door X zijn diverse teams en personeelsleden van X betrokken. X draagt nauwelijks risico’s ten aanzien van de concerndiensten en gebruikt geen immateriële activa bij het verlenen van deze diensten.
Q is een vennootschap gevestigd in de EU en maakt ook onderdeel uit van de Z-groep. X verleent concerndiensten aan Q. De gevraagde bilaterale zekerheid ziet op de zakelijke beloning van de door X aan Q verleende concerndiensten.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het
OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X in vergelijking met die van Q als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's- lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de concerndiensten van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de relevante operationele kosten gekozen als maatstaf omdat deze kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende concerndiensten en de daarbij gebruikte activa en gedragen risico’s door X.
4. Kosten die enkel door X worden doorbelast (verschotkosten) kunnen op basis van paragraaf 3.2.2 van het Verrekenprijsbesluit 2022 buiten de kostengrondslag worden gelaten, omdat alleen de operationele kosten van X de relevante indicator zijn voor de waarde van de door haar uitgeoefende functies, de gebruikte activa en de gelopen risico’s.
5. X maakt onderscheid tussen kosten die zien op concerndiensten en kosten die zien op aandeelhoudersactiviteiten. Kosten die zien op activiteiten die in de hoedanigheid van aandeelhouder worden verricht, worden niet doorbelast.
6. X heeft aannemelijk gemaakt dat een deel van de concerndiensten van X ziet op ondersteunende en administratieve activiteiten. Deze ondersteunende en administratieve activiteiten behoren op basis van hun aard, relatieve omvang en toegevoegde waarde niet tot de primaire bedrijfsprocessen van de groep en deze activiteiten voegen niet meer dan marginaal waarde toe aan de primaire bedrijfsprocessen van de groep. In overeenstemming met paragraaf
6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022 en zoals ook beschreven in paragrafen 7.43 tot en met 7.65 van de OESO-richtlijnen is de vereenvoudigde methode voor diensten met beperkte toegevoegde waarde in casu passend bevonden.
7. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie als onderbouwing voor de beloning voor de business support diensten is door de bevoegde autoriteiten passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X.
Conclusie
De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de arm’s-lengthbeloning ten aanzien van de concerndiensten verleend door X aan Q. Deze bilaterale overeenstemming is uitgewerkt en vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X.
De bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten van X at arm's-length is. Verschotkosten worden aan Q doorbelast zonder opslag.
Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 4,55% bedraagt en de upper quartile 19,05%. Voor de business support diensten is in de vaststellingsovereenkomst de mediaan gehanteerd. Het percentage ten aanzien van de diensten met beperkte toegevoegde waarde bedraagt 5%.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de aangiften vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend tot en met het boekjaar 2024.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie