Aanleiding
X heeft verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of X subjectief is vrijgesteld van vennootschapsbelasting ten aanzien van voorgenomen investeringen in Nederlands vastgoed. X wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
X is een rechtspersoon gevestigd in en beheerst door het recht van een lidstaat van de Europese Unie. De activiteiten van X bestaan uit het verzorgen van ouderdomspensioenen, nabestaandenpensioenen en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen voor een specifieke groep werknemers. Deze werknemers zijn verplicht deel te nemen bij X. X verzorgt op kleine schaal (administratieve) diensten aan een andere rechtspersoon met een vergelijkbare functie als X.
De middelen van X kunnen uitsluitend worden aangewend ter uitvoering van het in haar statuten vastgelegde doel van het verzorgen van pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De pensioenregeling van X kent een beperkte slotuitkering nabestaandenpensioen indien nabestaanden hertrouwen.
X is subjectief vrijgesteld van de vennootschapsbelasting in haar staat van vestiging. De pensioenregeling van X valt onder de pensioenwetgeving geldend in haar staat van vestiging.
X is voornemens investeringen in Nederlands vastgoed te gaan houden via samenwerkingsverbanden die transparant zijn vanuit Nederlands fiscaal perspectief. Deze investeringen betreffen het rendabel maken van vermogen op een wijze die gezien wordt als normaal vermogensbeheer.
Rechtskader
X verzoekt om zekerheid vooraf over toepassing van de vrijstelling van subjectieve belastingplicht zoals neergelegd in artikel 5, eerste lid, onderdeel b juncto het derde lid, onderdeel a van de Wet op vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant zijn:
de artikelen 3, 5, 17 en 17a van de Wet Vpb;
het beleidsbesluit van 25 november 2019, nr. 2019 – 187751 inzake subjectieve vrijstellingen (Besluit subjectieve vrijstelling); met inachtneming van latere wijzigingen;
de relevante gepubliceerde standpunten van de kennisgroep Belastingplicht & Kwalificatie rechtsvormen, onder andere KG:211:2026:3, KG:211:2026:4 en KG:211:2023:3;
het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter; en
de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter slechts wordt aangegaan als sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is naar haar aard in dit specifieke geval niet toepasbaar omdat zekerheid wordt gevraagd over de subjectieve vrijstelling van de buitenlandse belastingplicht.
2. Tevens is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel de doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.
3. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
4. Tenzij X in aanmerking komt voor de gevraagde subjectieve vrijstelling zal zij in beginsel als gevolg van de voorgenomen investeringen buitenlands belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting op grond van artikel 3 juncto artikel 17 juncto artikel 17a van de Wet Vpb.
5. Om in aanmerking te komen voor de gevraagde subjectieve vrijstelling dient X kort gezegd aan te tonen dat haar pensioenregeling naar haar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse kwalificerende pensioenregeling. Dit kan door aan te tonen dat zij voldoet aan de cumulatieve voorwaarden die gesteld worden in paragraaf 3.3 van het Besluit subjectieve vrijstellingen.
6. De Belastingdienst heeft de van X ontvangen gegevens beoordeeld aan de hand van deze voorwaarden. X heeft aangetoond dat zij aan alle cumulatieve voorwaarden van het Besluit subjectieve vrijstellingen voldoet. Het feit dat X op kleine schaal dienstverlening verricht resulteert er niet in dat niet voldaan wordt aan de activiteitentoets, voorwaarde A van paragraaf 3.3 van het Besluit subjectieve vrijstellingen, gezien de uitleg die hieraan gegeven is in KG:211:2023:3. Ook het feit dat het nabestaandenpensioen van X een beperkte slotuitkering kent bij hertrouwen is niet prohibitief voor het kunnen toepassen van de vrijstelling; het is vergelijkbaar met de situatie uiteengezet in KG:211:2026:3.
Conclusie
X komt in aanmerking voor de subjectieve vrijstelling zoals neergelegd in artikel 5, eerste lid, onderdeel b juncto het derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie