Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de aanwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land A). X maakt deel uit van een internationaal opererend concern met een hoofdkantoor in land A. X is onderworpen aan een winstbelasting in land A.
X is actief in de handelssector. X beschikt in Nederland over kantoorruimte van waaruit een bestuurder van X werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden zijn niet ondersteunend van aard.
Buiten de voornoemde werkzaamheden oefent X geen andere activiteiten in Nederland uit.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorgaande in onderlinge samenhang bezien met het belastingverdrag tussen Nederland en land A en het multilateraal verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) dat van toepassing is op het onderhavige belastingverdrag.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar vaste inrichting, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van (de vaste inrichting van) X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de transactie betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip “vaste inrichting” of “vaste vertegenwoordiger” verstaan het begrip “vaste inrichting” of “vaste vertegenwoordiger” zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag met land A geheven kan worden.
4. Volgens de relevante bepalingen van het belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Indien deze activiteiten uitsluitend van ondersteunende aard zijn, is er geen sprake van een vaste inrichting. Voorts kan op grond van het belastingverdrag sprake zijn van een vaste inrichting indien een persoon in Nederland gemachtigd is te handelen voor rekening en risico van X en van die machtiging gewoonlijk gebruik wordt gemaakt (vaste vertegenwoordiger).
5. Aan X staat een kantoorruimte ter beschikking in Nederland van waaruit een bestuurder van X werkzaamheden verricht. X beschikt over een vaste bedrijfsinrichting in Nederland. De werkzaamheden van X worden door middel van die vaste bedrijfsinrichting uitgevoerd en zijn niet aan te merken als ondersteunende werkzaamheden. De activiteiten van X leiden in Nederland tot een vaste inrichting als bedoeld in het belastingverdrag met land A.
Conclusie
Gelet op artikel 3, vierde lid, van de Wet Vpb, in combinatie met de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en land A oefent X haar onderneming uit met behulp van een vaste inrichting in Nederland voor de toepassing van de Wet Vpb.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie