rul-20251230-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van artikel 8bd van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2025.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers.

Y, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A).

Y houdt, naast de aandelen in X, ook de aandelen in C. C is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland.

In het kader van een herstructurering verkrijgt X de aandelen in C van Y middels een kapitaalstorting in natura. X en Y hanteren dezelfde valuta omrekenkoers ten aanzien van deze kapitaalstorting.

De waarde in het economische verkeer van het aandelenbelang in C is op het moment van de inbreng hoger dan de boekwaarde die Y hanteert. Bij de vervreemding van de aandelen in C door Y vindt in verdragsland A geen correctie plaats naar de waarde economisch verkeer op grond van de fiscale regelgeving in verdragsland A. Het overdrachtsvoordeel wordt niet in de heffing betrokken. De aandelen in X treden bij Y in de plaats van de aandelen in C. De aandelen in X worden bij Y te boek gesteld tegen de boekwaarde die gold ten aanzien van de aandelen in C (het doorschuiven van de boekwaarde).

Y is een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024. De rechtsvorm van Y is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de toepassing van artikel 8bd van de Wet Vpb. Deze zekerheid wordt gevraagd om de waarde van de teboekstelling van de verkregen aandelen in C vast te stellen bij X. Relevant is tevens het antwoord van de Kennisgroep bijzondere winstbepalingen vpb van 20 augustus 2025, KG:011:2025:9 (KG-standpunt).

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en C uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X en C binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. De Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in de vennootschapsbelasting is ingevoerd per 1 januari 2022 en beoogt mismatches te voorkomen die, kort gezegd, zien op dubbele niet-heffing die zich kan voordoen als gelieerde lichamen bij een onderlinge transactie voorwaarden (verrekenprijzen) overeenkomen die niet zakelijk zijn.

4. Artikel 8bd van de Wet Vpb ziet op de situatie waarin een vermogensbestanddeel door een in het buitenland gevestigd gelieerd lichaam wordt overgedragen aan een belastingplichtige door middel van een kapitaalstorting of winstuitkering. Indien de waarde in het economische verkeer hoger is dan de waarde die bij het gelieerde lichaam ter zake van de overdracht van dat vermogensbestanddeel wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting, wordt voor de teboekstelling van dat vermogensbestanddeel de laatstbedoelde waarde in aanmerking genomen.

5. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het gaat om een flankerende maatregel die een dubbele niet-heffing beoogt weg te nemen die zich in de vermogenssfeer kan voordoen als gevolg van waarderingsverschillen bij de teboekstelling van een vermogensbestanddeel. Hierbij is aangegeven dat dit zich bijvoorbeeld kan voordoen indien een gelieerd lichaam een vermogensbestanddeel overdraagt aan de belastingplichtige door middel van een kapitaalstorting en dat vermogensbestanddeel tegen een lagere waarde in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken dan de waarde in het economische verkeer waarvoor de belastingplichtige het vermogensbestanddeel in Nederland activeert en waarover hij vervolgens ten laste van zijn fiscale winst kan afschrijven.

6. Verder is in de parlementaire geschiedenis aan de orde gekomen dat aan de voorwaarde dat sprake is van ‘betrekking in een naar de winst geheven belasting’ wordt voldaan, indien de opwaartse aanpassing wordt betrokken in de grondslag van een winstbelasting, maar over die aanpassing effectief niet wordt geheven door toepassing van een objectieve vrijstelling.

7. In de gegeven situatie verkrijgt X vermogensbestanddelen, zijnde de aandelen in C, van Y door middel van een kapitaalstorting. De waarde in het economisch verkeer van het

aandelenbelang in C is op dat moment hoger dan de waarde die bij Y ter zake van deze overdracht wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting door de toepassing van een vrijstelling in lidstaat A.

8. Op grond van het KG-standpunt kan toepassing van artikel 8bd van de Wet Vpb ook achterwege blijven als een land ervoor heeft gekozen om het effectief niet heffen over een vervreemdingsresultaat anders vorm te geven dan in de Wet Vpb. In zowel het andere land als in Nederland (in het geval dat de vennootschap in Nederland gevestigd zou zijn) wordt er niet geheven over het vervreemdingsresultaat, alleen de systematiek wijkt af.

9. Uit het KG-standpunt volgt dat de bewijslast of en voor welke waarde de winstuitdeling wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting ligt bij belastingplichtige. Zoals hiervoor is opgemerkt is mogelijk artikel 8bd van de Wet Vpb van toepassing op de beschreven transactie, tenzij belastingplichtige erin slaagt om aannemelijk te maken dat sprake is van een betrekking in de heffing. X is erin geslaagd om aannemelijk te maken dat feitelijk een objectieve vrijstelling van toepassing is op het overdrachtsvoordeel, waarbij de aandelen in X te boek worden gesteld tegen de oude boekwaarde van de ingebrachte aandelen in C. Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden kan artikel 8bd van de Wet Vpb in casu buiten toepassing blijven.

Conclusie

Artikel 8bd van de Wet Vpb blijft buiten toepassing ter zake van de kapitaalstorting in natura waarbij X de aandelen in C verkrijgt van Y.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: