Aanleiding
Er is door X een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de toepassing van artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (“Wet Vpb”). Het verzoek ziet op het jaar 2023.
Feiten
X maakt onderdeel uit van een internationaal netwerk van entiteiten die zakelijke diensten leveren.
X is een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en is sinds haar oprichting feitelijk gevestigd in Nederland.
Het netwerk ontwikkelt voor gezamenlijke rekening en risico nieuwe software. X verzamelt en administreert de ontwikkelingskosten en belast deze door aan in Nederland en niet in Nederland gevestigde entiteiten tegen een vergoeding.
De ontwikkelingskosten bestaan naast investeringsuitgaven uit financieringskosten.
De aangifte vennootschapsbelasting 2023 is ingediend tijdens de behandeling van het verzoek.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf ziet op de vraag of voor het bepalen van het rentesaldo als bedoeld in artikel 15b, tweede lid, van de Wet Vpb de doorbelaste financieringskosten welke onderdeel uitmaken van de vergoeding zijn aan te merken als rentebaten ter zake van een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst. Relevant is ook artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tenslotte is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter te voldoen. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.
Op grond van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter in combinatie met artikel 2b van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is sprake van een voorafgaande grensoverschrijdende ruling indien de ruling tot stand komt vóórdat de belastingaangifte is ingediend (over het tijdvak waarin de betreffende transactie heeft plaatsgevonden). Tijdens de behandeling van het desbetreffende verzoek is de aangifte Vpb ingediend. In deze aangifte is de transactie verwerkt waarop het verzoek voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ziet.
Gelet op de indiening van de aangifte Vpb is er vanaf het moment van indienen van de aangifte Vpb niet langer sprake van het verkrijgen van zekerheid vooraf. Daarom is een verdere inhoudelijke analyse van het verzoek achterwege gebleven.
Conclusie
Er is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen omdat als gevolg van het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting geen sprake meer is van vooroverleg. Het verzoek is buiten behandeling gesteld. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de genoemde transactie in beginsel zal worden beoordeeld in het kader van de reguliere behandeling van de aangifte vennootschapsbelasting.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie