rul-20250923-atr-000007

20250923 ATR 000007

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op renten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de handelssector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [151 – 300] werknemers. Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A). Y houdt aandelen in X en is in staat om invloed uit te oefenen bij X. Y drijft een materiële onderneming. Verdragsland A is geen laagbelastende jurisdictie. In verdragsland A is Y onderworpen aan een winstbelasting. Y heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Y drijft een materiële onderneming en is actief betrokken bij het aansturen en financieren van haar deelneming. Y heeft kantoorruimte ter beschikking van waaruit de activiteiten worden verricht. De aandelen in Y worden gedeeltelijk gehouden door Z. Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land dat voorkomt op de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Y heeft een lening verstrekt aan X. Y heeft deze lening gedeeltelijk gefinancierd met een schuld aan Z. Y heeft relevante substance ten aanzien van de vordering op X.

Rechtskader

Het concern verzoekt zekerheid vooraf over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op renten als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door Y voor de voordelen in de vorm van renten uit hoofde van haar vordering op X. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

20250923 ATR
0000071. Het concern oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Ten aanzien van de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op renten is eerst gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland A, houdt aandelen in X en is in staat om invloed uit te oefenen bij X. Derhalve wordt Y aangemerkt als de gerechtigde tot voordelen in de zin van artikel 3.1, onderdeel a van de Wet BB (renten) van X. X kwalificeert als een aan Y, de voordeelgerechtigde, gelieerde inhoudingsplichtige.
4. Tevens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Omdat Y is gevestigd in verdragsland A, is Y niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB. Verdragsland A is namelijk geen laagbelastende jurisdictie.
5. Y heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en is derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
6. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – Y is gevestigd in een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, en gerechtigd is tot de voordelen in de vorm van renten met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
7. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of Y de lening aan X heeft verstrekt met als hoofddoel om Nederlandse bronbelasting te ontgaan. Y drijft een materiële onderneming met relevante substance ten aanzien van de vordering op X. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van Nederlandse bronbelasting.
8. Aangezien de voordeelgerechtigde in verdragsland A niet als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen d en e van de Wet BB.

Conclusie

Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029. 20250923 ATR 000007