rul-20250805-atr-000001

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Meer specifiek ziet het verzoek op de vraag of een ontvangen vergoeding kwalificeert als een voordeel uit hoofde van een deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2024.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers. X houdt een aandelenbelang in D, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A). Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op het belang in D. Y is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Tot het moment van verkoop hield Y, evenals X, een aandelenbelang in D. Y heeft haar aandelenbelang in D op enig moment aan een derde partij verkocht. Voorafgaand aan deze verkoop heeft Y de met X overeengekomen aanbiedingsplicht afgekocht. Ter zake hiervan heeft X van Y een vergoeding ontvangen. Behoudens het (voormalige) gezamenlijke aandelenbelang in D zijn of waren X en Y niet gelieerd.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de ontvangen vergoeding, ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). In dat kader is tevens het standpunt van de Kennisgroep deelnemingsvrijstelling van 26 mei 2025 (KG:023:2025:8) van belang. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

20250805 ATR
0000011. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Tijdens de behandeling van het verzoek heeft de Kennisgroep deelnemingsvrijstelling het standpunt KG:023:2025:8 gepubliceerd. De door X ontvangen vergoeding kwalificeert niet als een voordeel uit deelneming. Naar aanleiding hiervan is het verzoek om vooroverleg afgewezen.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel in het reguliere toezicht beoordeeld worden.