rul-20230103-apa-000002

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over Verrekenprijzen voor de boekjaren 2021 tot en met 2025, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2020.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en in Nederland gevestigd. Aandeelhouders van X zijn een aantal vennootschappen, waarvan er een aantal in Nederland zijn gevestigd en een buiten de Europese Unie. Deze aandeelhouders maken geen onderdeel uit van dezelfde groep. X (actief in de handelssector) exploiteert in Nederland gelegen materiële vaste activa en verricht daarmee verbonden diensten uitsluitend aan haar aandeelhouders. X draagt de daarmee verbonden risico’s. Voor deze logistieke en distributie activiteiten brengt X haar aandeelhouders een vergoeding in rekening. De aandeelhouders brengen op hun beurt een vergoeding in rekening aan hun afnemers voor deze logistieke en distributie activiteiten. De gevraagde zekerheid ziet op de zakelijkheid van de vergoeding voor X voor de logistieke en distributie activiteiten.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO- modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. De OESO-richtlijnen geven een internationaal geaccepteerde invulling aan het arm’s-lengthbeginsel en worden daarom ingevolge het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het besluit van 14 juni 2022, nr. 2022-0000139020, hierna (gezamenlijk) te noemen “verrekenprijsbesluit” als een passende uitleg en verduidelijking van het in artikel 8b Wet Vpb omschreven beginsel gezien.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de logistieke en distributie activiteiten van X aan de aandeelhouders is een externe CUP aangetroffen als gevolg van het feit dat aangesloten kan worden bij de door de aandeelhouders in rekening gebrachte vergoeding aan hun afnemers.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat de vergoeding voor de logistieke en distributie activiteiten at arm’s-length is indien de aan de aandeelhouders voor deze activiteiten in rekening gebrachte vergoeding gelijk is aan de voor deze activiteiten aangetroffen CUP. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025.