1891398

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de heffing van schenkbelasting wanneer de verarming van de schenker niet gelijk is aan de verrijking van de begiftigde. Het benadrukt dat een schenking alleen bestaat als aan drie cumulatieve vereisten is voldaan: verarming, verrijking en vrijgevigheid.

Kennisgroepstandpunt

Giftbegrip. Schenking als verrijking en verarming niet gelijk zijn (KGSW 18.0003).

Vraag:
Hoe verloopt de heffing van schenkbelasting wanneer de verarming van de schenker niet gelijk is aan de verrijking van de begiftigde?

Antwoord:
Schenking gaat uit van de drie cumulatieve vereisten: verarming bij de schenker, verrijking bij de begiftigde en vrijgevigheid. Cumulatief betekent dat er geen sprake is van een schenking wanneer de verkrijger een last verschuldigd is aan de wederpartij ter grootte van de laagste van de twee bedragen. Wanneer er sprake is van een schenking, wordt deze gewaardeerd op grond van art. 21, SW, met als hoofdregel de waarde in het economische verkeer. Omdat sprake is van een verkrijgersbelasting, zonodig te bezien vanuit het gezichtspunt van de verkrijger.

Toelichting:
De SW verwijst in art. 1, zevende lid, voor het belastbaar begrip van de schenkbelasting naar art. 7:186, tweede lid, BW: iedere handeling die er toe strekt dat een ander verrijkt ten koste van eigen vermogen. Daaruit wordt de drie elementen ontleend: verarming bij de schenker, verrijking bij de begiftigde en vrijgevigheid. Doorgaans zullen verarming en verrijking gelijk zijn aan elkaar, bijvoorbeeld bij een gift van geld, of van een zaak (boot, auto). Wanneer echter verrijking en verarming niet gelijk zijn, wordt de impact hiervan zichtbaar wanneer aan de schenking een last is verbonden tot vergoeding van de laagste van die twee bedragen. Als gevolg van die last resteert er geen verrijking meer. Er wordt dan nog maar aan twee van de drie cumulatieve vereisten voldaan, zodat er geen sprake meer is van een gift.

Een en ander laat zich het best illustreren aan de hand van een voorbeeld. Vader zegt tegen zijn kind: je mag een dakkapel op je huis laten zetten op mijn kosten. Het kind stemt toe. De rekening van de aannemer bedraagt 10, die uiteraard betaald wordt door vader. De waardestijging van het huis als gevolg van de plaatsing van de dakkapel bedraagt 4. Er is dan sprake van een schenking van 4. Wanneer vader zegt: je mag een dakkapel laten zetten maar je moet wel de waardestijging aan mij vergoeden – een lastbepaling – maakt het kind de rekensom: waardevermeerdering 4 minus last 4 = nihil. Het kind verrijkt niet, zodat er geen schenking is (ondanks dat vader per saldo met 10 – 4 = 6 verarmt).

Waardering verkrijging:
De omvang van de verkrijging is (in beginsel) de waarde in het economische verkeer van het verkregene. Daarbij is het oogpunt van de verkrijger leidend. Voorbeeld: Vader leent renteloos geld uit aan zijn kind over tien maanden opeisbaar. Vader zou bij het onder gelijke omstandigheden uitlenen aan een derde, 4% rente kunnen ontvangen. Het kind zou bij een derde onder gelijke omstandigheden 5% rente moeten betalen. Er is sprake van een schenking omdat vader renteloos (maar niet direct opeisbaar) geld uitleent aan zijn kind. De bevoordeling is dan te bepalen met genoemde 5% rente. NB Bij een looptijd tot één jaar wordt niet toegekomen aan de vruchtgebruiktabellen, zie BNB 1986/289.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *