1891158

AI-samenvatting

Dit document behandelt de vraag of het aanpassen van huwelijkse voorwaarden leidt tot schenkbelasting. De ruling concludeert dat de omzetting van een koude uitsluiting naar een algehele gemeenschap van goederen in principe niet belastbaar is. De echtgenoten behouden recht op 50% van het totale vermogen, dat is opgebouwd uit overgespaarde arbeidsinkomsten.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1891158**

Kenmerk 1
15.0001
Kantoor Utrecht
Kennisgroep Successiewet
Doorkiesnummer
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum
21 april 2015
Behandelaar
Aan 5.1.2e
: Uw kenmerk
Kenmerk
Per email. KGSW 15.0001
Betreft
Schenking bij overgang naar beperkte gemeenschap van goederen

Geachte mevrouw| 5.1.2e|,
Recent heeft u een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.

**Vraag**
Man en vrouw zijn in 1984 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Het vermogen van beide echtgenoten, ten tijde van het sluiten van het huwelijk, was nagenoeg nihil. In de huwelijkse voorwaarden is een wederkerig finaal verrekenbeding opgenomen. Zowel bij echtscheiding als bij overlijden wordt er afgerekend als ware men gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Tevens is er een periodiek verrekenbeding opgenomen in de huwelijkse voorwaarden met een verplichting om ieder jaar het onverteerde inkomen uit arbeid met elkaar te verrekenen. Partijen hebben tot op heden het periodiek verrekenbeding niet nageleefd (nimmer een bedrag verrekend).

De echtgenoten willen hun huwelijkse voorwaarden wijzigen in verband met het oprichten van een VBI. Men is van plan om eerst een algehele gemeenschap van goederen aan te gaan en vervolgens een paar minuten later een beperkte gemeenschap van goederen. Alle goederen van man en vrouw zullen in deze beperkte gemeenschap komen te vallen, met uitzondering van de aandelen die nu nog in handen zijn van de man (aandelen BV X). De aandelen BV X zullen voor 50% worden toebedeeld aan de man en voor de andere 50% aan de vrouw. De aandelen BV X vertegenwoordigen een waarde van ongeveer 56 min. euro.

Leidt het aanpassen van de huwelijkse voorwaarden, op de hierboven beschreven wijze, tot een belastbaar feit voor de schenkbelasting?

**Antwoord**
In beginsel leidt de omzetting van het huwelijksgoederenregime van koude uitsluiting naar een algehele gemeenschap van goederen niet tot heffing van schenkbelasting. De omzetting leidt niet tot een definitieve vermogensverschuiving.

Ook in het geval wanneer huwelijkse voorwaarden worden gemaakt waarbij een algehele gemeenschap van goederen wordt omgezet in een beperkte gemeenschap van goederen, hoeft er geen sprake van een belastbare schenking te zijn als het aanwezige vermogen gelijkelijk over de echtgenoten wordt verdeeld.

In de onderhavige casus wordt het huwelijksgoederenregime van koude uitsluiting uiteindelijk -via een algehele gemeenschap van goederen- omgezet in een beperkte gemeenschap. We kijken naar de bedoeling van partijen. Het feit dat de echtgenoten eerst een algehele gemeenschap van goederen aangaan, doet in casu niet ter zake. Belastingbesparing is de enige beweegreden voor het verrichten van deze rechtshandelingen en deze tussenstap heeft buiten het beoogde fiscale voordeel geen reële, praktische betekenis. Fiscaal zien we dus een overgang van een koude uitsluiting naar een beperkte gemeenschap, waarvan de aandelen in BV X worden uitgezonderd. De aandelen worden toegedeeld aan de beide echtgenoten, ieder voor 50%.

We zien de volgende vermogensverschuiving:
**Situatie vóór wijzigen huw. vw.**
Man: Aandelen 56 min. | Overig 2 min.
Vrouw: Overig 2 min.
Totaal: 58 min.

**Situatie na wijzigen huw. vw.**
Man: Aandelen 28 min. | Overig 4 min.
Vrouw: Aandelen 28 min.
Totaal: 30 min.

Doordat de aandelen buiten de beperkte gemeenschap worden gehouden en voor 50% worden toebedeeld aan de vrouw, zien we een voltooide en bepaalbare vermogensverschuiving ten bedrage van 28 min.

Het is echter de vraag of de vermogensverschuiving kan worden aangemerkt als een verrekenverplichting in verband met het niet naleven van het periodiek verrekenbeding. Echtgenoten hebben in de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden een periodiek (jaarlijks) verrekenbeding opgenomen, maar een daadwerkelijke verrekening van onverteerde inkomsten heeft nooit plaatsgevonden. Artikel 1:141 BW bepaalt het volgende:

**Artikel 141**
1. Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.
2. (…)
3. Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143 is van overeenkomstige toepassing.

De Rechtbank Breda heeft op 23 november 2011 in een soortgelijke zaak geoordeeld dat geen sprake is van een schenking als echtgenoten gedurende het huwelijk (alsnog) uitvoering geven aan een periodiek verrekenbeding. De rechtbank overweegt als volgt:
“Nu belanghebbende en haar echtgenoot staande huwelijk wensen over te gaan tot verrekening van (een deel van) het gezamenlijke vermogen, in casu de verkoopwinst behaald met de vervreemding van de aandelen, geven zij hiermee uitvoering aan het verrekenbeding als bedoeld in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden. Wegens het ontbreken van aangebracht vermogen ten huwelijk en het ontbreken van verkregen schenkingen en/of nalatenschappen, kan het niet anders zijn dan dat het gehele gezamenlijke vermogen voortspruit uit overgespaard arbeidsinkomen. De beleggingsleer brengt mee dat niet verrekend overgespaard arbeidsinkomen door de verrekeningplichtige mede voor rekening en risico van de verrekeningsgerechtigde is belegd. Bij de verrekening bij helfte van het gezamenlijke vermogen, waarvan de € 10.000 die is overgemaakt aan belanghebbende deel uitmaakt, wordt daarmee uitvoering gegeven aan hetgeen partijen bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en is derhalve geen sprake van vrijgevigheid. Evenmin is sprake van een verarming van de verrekeningsplichtige of verrijking van de verrekeningsgerechtigde nu partijen zelf een (gedeeltelijke) verrekening van het gezamenlijke tot stand brengen, waartoe zij op grond van de wet ook verplicht zouden zijn als het huwelijk in 2009 zou zijn ontbonden.”

Gelet op de inhoud van de hierboven genoemde uitspraak van de Rechtbank Breda, is er in het onderhavige geval geen sprake van een belastbare schenking. De echtgenoten zijn na de wijziging van de huwelijkse voorwaarden ieder gerechtigd tot 50% van het totale vermogen. Nu het gehele vermogen is opgebouwd ten tijde van het huwelijk, en er ook geen schenkingen en/of erfenissen zijn ontvangen, moet dit vermogen worden geacht te zijn ontstaan uit de overgespaarde arbeidsinkomsten.

**Let op:**
Van groot belang is de inhoud van het periodiek verrekenbeding. De Rechtbank Breda overweegt nog ten overvloede:
“Wellicht ten overvloede overweegt de Rechtbank dat de uitleg van het begrip arbeidsinkomen in de huwelijkse voorwaarden binnen de grenzen der redelijkheid aan partijen is. M en V menen dat de winst op de aandelen onlosmakelijk verbonden is met M's dienstbetrekking en dat de winst tot het te verrekenen inkomen behoort. Met deze uitleg blijven M en V binnen de grenzen der redelijkheid.”

Als bepaalde bronnen van inkomsten of vermogensbestanddelen uitdrukkelijk van de verrekening zijn uitgesloten, dan geldt daarvoor het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW niet. Er dient een berekening te worden gemaakt van de hoogte van de verrekenvordering. De fictie dat het aanwezige vermogen bij helfte moet worden verdeeld geldt alsdan dus niet. Hetzelfde geldt voor de situatie dat één van de echtgenoten al over een noemenswaardig vermogen beschikte bij het aangaan van het huwelijk of in privé een erfenis of schenking heeft ontvangen tijdens het huwelijk.

Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
namens deze,
5.1.2e

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *