AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt besproken hoe de 100%-vrijstelling van de Successiewet toegepast moet worden wanneer een van de firmananten een negatief firma-aandeel heeft. De conclusie is dat de gehele verkrijging voor 100% vrijgesteld is, aangezien de waarde van de objectieve onderneming onder de grens van € 1.055.022 ligt.
Kennisgroepstandpunt
Kantoor Utrecht
Kennisgroep Successiewet
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum: 15 april 2016
Doorkiesnummer:
Per email
Uw kenmerk:
Kenmerk: KGSW 15.0013.2
Betreft: Successiewet. Toepassing 100%-vrijstelling art. 35b SW bij negatief forma-aandeel
Geachte mevrouw/heer,
Recent heeft u een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.
**Casus**
Oom schenkt zijn aandeel in de maatschap en zijn buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen, van totaal € 1.000.000, aan zijn neef. Het buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen betreft een onroerende zaak, zodat sprake is van kwalificerend buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen in de zin van art. 7 lid 1 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting en dit vermogen dus behoort tot de objectieve onderneming.
**Omvang objectieve onderneming**
Liquidatiewaarde oom: € 1.000.000
Liquidatiewaarde neef: € 200.000 (negatief)
Totaal: € 800.000
De waarde van de objectieve onderneming is lager dan de waarde van de verkrijging van de neef. Dit is het gevolg van het feit dat de neef een negatief maatschapsaandeel heeft.
**Vraag**
Hoe moet de 100%-vrijstelling worden toegepast indien één van de firmananten een negatief firma-aandeel heeft?
**Antwoord**
De waarde van de objectieve onderneming is lager dan € 1.055.022 (cijfers 2015). Omdat de gehele verkrijging op de objectieve onderneming betrekking heeft, is in dit geval de gehele verkrijging voor 100% vrijgesteld (zie art. 35b, eerste lid, onderdeel a, SW 1956).
**Toelichting**
De omvang van de voorwaardelijke vrijstelling is sinds 2010 deels afhankelijk van de omvang van de objectieve onderneming (bv). De grens van € 1.055.022 (cijfers 2015) tot waar een volledige voorwaardelijke vrijstelling wordt verleend, wordt beoordeeld vanuit de waarde van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft en niet vanuit de omvang van de verkrijging. Voorgaande blijkt ook uit de volgende delen van de tweede kamerstukken.
**Bezoekadres**
In uw antwoord datum en kenmerk van deze brief vermijden
Orteliuslaan 1000
Utrecht – Papendorp
—
Kenmerk 2
Fout! Onbekende naam voor documenteigenschap.
‘Anders dan voor de huidige regeling het geval is, wordt voorgesteld de omvang van voorwaardelijke vrijstelling voor de verkrijging van ondernemingsvermogen deels af te laten hangen van de omvang van de objectieve onderneming (in de BV) waarop de verkrijging betrekking heeft.
De grens van € 1.000.000 tot waar een volledige voorwaardelijke vrijstelling wordt verleend, moet dus worden beoordeeld vanuit de waarde van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft en niet vanuit de omvang van de verkrijging’.
Voor de voorwaardelijke vrijstelling kijkt men naar de objectieve onderneming, oftewel € 800.000. Als de waarde van de objectieve onderneming de waarde van de 100%-vrijstelling, oftewel € 1.055.022, niet te boven gaat en de gehele verkrijging ziet op de objectieve onderneming, is de verkrijging voor 100% vrijgesteld. Dit is in casu het geval zodat de verkrijging geheel is vrijgesteld.
Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
namens deze,
5.1.2e
Kamerstukken II 2009-2010, 31 930 nr. 79.
Geef een reactie