1770500

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of er een conserverende aanslag kan worden opgelegd voor een buitenlands pensioen bij emigratie. De ruling concludeert dat er geen conserverende aanslag is, omdat de buitenlandse pensioenregeling niet ten laste van het belastbaar inkomen is gekomen.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Onderwerp:** Conserverende aanslag buitenlands pensioen
**Datum ontvangst KG:** juni 2019
**Naam ktr vraagsteller:** 2s
**Behandelaar KG:** 2e
**Datum naar secretaris:** juni 2019

**Vraag:**
U woont in Nederland en werkt uitsluitend buiten Nederland. Bij uw buitenlandse werkgever bouwt u een tweede pijlerpensioen op. Voor het gehele loon bestaat recht op aftrek elders belast. Is er bij emigratie voor de bepaling van de hoogte van het conserverend inkomen sprake van aanspraken in de zin van art. 83 lid Wet IB 2001 die niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning zijn gekomen?

**Antwoord:**
Ja, de aanspraken en premies voor de buitenlandse pensioenregeling zijn niet ten laste van het belastbaar inkomen gekomen. Dat betekent dat bij emigratie ter zake van de buitenlandse pensioenregeling niets tot het loon wordt gerekend. Noch voor de waarde in het economisch verkeer van het buitenlandse pensioen (art. 83) noch voor het bedrag van de premies (art. 136 lid en art. 10a 19) wordt een conserverende aanslag opgelegd.

**Beschouwing:**
Er zijn vier argumenten om in dit geval geen conserverende aanslag op te leggen. In de opbouwfase van het buitenlandse pensioen zijn er geen fiscale faciliteiten in Nederland verleend. Weliswaar is de aanspraak van de werkgever vrijgesteld en zijn de premies aftrekbaar bij de berekening van het belastbaar inkomen uit werk en woning, maar als gevolg van de aftrek elders belast is daar effectief geen sprake van. De bronstaat, bijvoorbeeld België of Duitsland, zal deze faciliteit hebben verleend.

Na emigratie is er geen sprake meer van Nederlands inkomen in de zin van Hfdst Wet IB 2001. Er is dan, zodra de uitkeringen gaan lopen, sprake van inkomsten uit een Belgische bron, volgens de sourcingbepaling die is opgenomen in het belastingverdrag België 2001 (art. 18 lid 4) en Duitsland 2012 (art. 17 lid).

In de MvT Kamerstukken II 1998-1999, 26 727, nr. 127 is opgenomen:
De regeling van het derde lid voorkomt dat bij voortgezette pensioenopbouw de aanspraak die betrekking heeft op de periode waarin de belastingplichtige nog in het buitenland woonde en werkte, het gedeelte waarop geen Nederlandse belastingclaims rusten, zou worden begrepen in de grondslag voor de conserverende aanslag. Dat is anders als het belastingverdrag het heffingsrecht over een of meerdere jaren toekende aan de woonstaat. Denk hierbij aan de tot januari 2003 bestaande grensarbeidersregeling in het belastingverdrag België 1970.

De conserverende aanslag kan dus alleen opgelegd worden voor het gedeelte waarop wel een Nederlandse belastingclaim rust. Dat is voor de buitenlandse pensioenen niet het geval. Aan een en ander doet niet af de letterlijke tekst van art. 83 en art. 136 Wet IB. Doorslaggevend is dat er wel premies etc. ten laste van het inkomen zijn gebracht, maar deze effectief niet hebben geleid tot een fiscale faciliteit in Nederland tijdens de opbouwfase van het buitenlandse pensioen.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *