AI-samenvatting
Een werknemer kan bezwaar maken tegen de inhouding van loonheffing op zijn loon bij de inspecteur van het ressort waar hij woont, volgens artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inspecteur heeft landelijke competentie, zoals vastgelegd in artikel 3 van de AWR en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (URB 2003). Dit betekent dat een werknemer zijn bezwaar doorgaans indient bij het segment PDB, maar ook een (gemandateerd) inspecteur van een ander segment of kantoor kan beslissen op het bezwaar. De jurisprudentie bevestigt dat de landelijke bevoegdheid van inspecteurs niet beperkt wordt door de ressorteerbepalingen, die enkel aangeven bij welke inspecteur een belastingplichtige zich moet richten voor fiscale zaken.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Een werknemer kan bezwaar maken tegen de inhouding van loonheffing op zijn loon bij de inspecteur van het ressort waar hij woont, volgens artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inspecteur heeft landelijke competentie, zoals vastgelegd in artikel 3 van de AWR en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (URB 2003). Dit betekent dat een werknemer zijn bezwaar doorgaans indient bij het segment PDB, maar ook een (gemandateerd) inspecteur van een ander segment of kantoor kan beslissen op het bezwaar. De jurisprudentie bevestigt dat de landelijke bevoegdheid van inspecteurs niet beperkt wordt door de ressorteerbepalingen, die enkel aangeven bij welke inspecteur een belastingplichtige zich moet richten voor fiscale zaken.
**Documenttitel: 2214413**
**Belastingdienst**
**MEMO**
**Onderwerp**
Welke inspecteur is competent voor de behandeling van een bezwaar loonheffing ingediend door een werknemer?
**Casus**
Een werknemer kan bezwaar maken tegen de inhouding van de loonheffing op zijn loon op grond van artikel 26 eerste lid, juncto artikel 26, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
**Naam dienstonderdeel**
Kennisgroep Formeel Recht
**Contactpersoon**
5.1.2e
**Datum**
5 oktober 2015
**Versienummer**
15-206-0011
**Vastgesteld door**
Kennisgroep Formeel Recht
**Opdrachtgever**
5.1.2e |
**Kopie aan**
Geen
**Vraag**
Is de inspecteur van de werknemer of werkgever competent voor de behandeling van het bezwaar van een werknemer tegen de inhouding van loonheffing en welke gevolgen heeft dit voor de organisatie?
**Antwoord**
Op grond van artikel 3 van de AWR heeft de inspecteur landelijke competentie. Binnen dit wettelijk kader worden ten behoeve van de belastingplichtige in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: URB 2003) de landelijke directeuren van de segmenten benoemd als inspecteur, die vervolgens de functionarissen kunnen mandateren. Een werknemer die als natuurlijk persoon bezwaar maakt tegen een inhouding op zijn loon, kan zijn bezwaar indienen bij de inspecteur van het ressort waar hij zijn woonplaats heeft. In de regel zal zijn bezwaar behandeld worden bij het segment PDB. De kennisgroep is van mening dat wanneer een (gemandateerd) inspecteur – van één van de andere segmenten of een kantoor elders in het land – beslist op het bezwaar tegen de inhouding, deze uitspraak op bezwaar geacht moet worden bevoegd te hebben gedaan.
**Beschouwing (maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Artikel 3 van de AWR bepaalt de territoriale competentie van de inspecteur, als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De laatste wijziging van deze wettelijke bepaling dateert van 2003. Sindsdien bepaalt het artikel dat de “bevoegdheid van een […] inspecteur […] niet is bepaald naar een geografische indeling van het Rijk”. De wijziging was gericht op de flexibilisering van de werkzaamheden van de Belastingdienst. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2002/03, 28 608, nr.3, p. 44) is hierover opgemerkt:
“In de nieuwe opzet is niet langer sprake van deze beperkte bevoegdheid en heeft iedere inspecteur landelijke bevoegdheid. Dit is voor wat betreft de geografische bevoegdheid nog eens met zoveel woorden in de wet opgenomen.”
Het uitgangspunt is daarmee sinds 2003 landelijke competentie voor de inspecteur om (intern) een flexibilisering van de werkzaamheden mogelijk te kunnen maken. Daarmee ontstaat de vraag vanuit het perspectief van belastingplichtige (extern) bij welke inspecteur hij terecht kan voor zijn fiscale zaken:
“Nu wordt voorgesteld de begrensde competentie van deze functionarissen los te laten, is het wenselijk vanuit een oogpunt van ordelijkheid en transparantheid voor de belastingplichtige aan te geven onder welke inspecteur een belastingplichtige ressorteert, met andere woorden tot welke inspecteur de belastingplichtige zich moet richten voor zijn fiscale aangelegenheden. Voorts zullen bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de inrichting van de rijksbelastingdienst. Deze zullen zijn beperkt tot de hoofdlijnen van de inrichting, namelijk slechts voorzover ze van belang zijn voor een belastingplichtige.”
In artikel 3, lid 2 van de AWR in samenhang met de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: URB 2003) is geregeld onder welke functionaris een belastingplichtige ressorteert. Volgens de toelichting bij de URB 2003 zijn de ressorteerbepalingen “voorlichtend” bedoeld voor belastingplichtige. Ook uit de voorgaande passage uit de MvT blijkt ook dat het URB 2003 zich beperkt tot de hoofdlijnen van de inrichting van de Belastingdienst en slechts daar waar relevant voor belastingplichtige. Kortom, deze ressorteerbepalingen zijn binnen het wettelijk kader vanuit het perspectief van belastingplichtige geschreven.
In artikel 5 van de URB 2003 worden de landelijke directeuren van de segmenten — PDB, MKB, GO, SMP — benoemd als inspecteur. In (onder)mandaat stellen de landelijke directeuren de functionarissen aan die namens hen, als inspecteur, handelen. Artikel 11 van de URB 2003 bepaalt vervolgens dat natuurlijke personen op grond van woonplaats ressorteren onder de landelijke directeuren (van de segmenten). Voor een lichaam of entiteit is daarbij bepalend de vestigingsplaats. Een natuurlijk persoon kan daardoor de inspecteur van zijn ressort benaderen. In het derde lid van 11 van de URB 2003 is de mogelijkheid voor de algemeen directeur Belastingen opgenomen om van deze ressorteerbepalingen af te wijken of om daarover nadere richtlijnen te geven.
Het is echter voorstelbaar dat vanuit het oogpunt van belastingplichtige er – ondanks de ressorteerbepalingen – toch nog steeds vragen kunnen rijzen, omdat tegelijkertijd voor veel belastingplichtigen de praktijk is blijven bestaan dat zij de fiscale zaken doen met de inspecteur van hun woon- of vestigingsplaats en bijbehorende segment. Ook rijst de vraag of één of meer inspecteurs bevoegd zijn te beslissen op een bepaalde kwestie.
In een tweetal arresten doet de Hoge Raad uitspraak waarin deze vragen aan de orde komen. Eerst in zijn arrest van 15 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM8179), waarin gesteld wordt dat de Belastingdienst na wijziging van artikel 3 van de AWR per 2003 in beginsel landelijk bevoegd geworden is:
4.3.2 Deze beperkte reikwijdte van de meerderheidsregel heeft ook te gelden voor beslissingen van een inspecteur die zijn genomen na de wijziging van artikel 3, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen per 1 januari 2003, waardoor de inspecteurs in beginsel landelijk bevoegd zijn geworden.
Daarna wordt in zijn meer recente arrest van Hoge Raad van 14 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ4198) aangenomen dat de inspecteur zonder meer landelijk competent is, en dat de ressorteerbepalingen deze landelijke competentie niet inperken. Dit arrest ziet echter nog op de situatie onder de voorlaatste versie van het URB 2003, dat toen nog vermeldde dat de voorzitter van het management van de regio inspecteur is, waarbij wellicht nog een sterke binding met de regio uit valt af te leiden. Op dit moment is immers in het URB 2003 te lezen dat de landelijk directeuren van de segmenten benoemd zijn als “inspecteur”, waarmee nog meer de landelijke competentie tot uitdrukking komt. De Hoge Raad overweegt:
3.5.2 De landelijke bevoegdheid van een inspecteur wordt niet beperkt door de regeling van artikel 3, lid 2, van de AWR in verbinding met artikel 11 van de Uitvoeringsregeling, waarin is bepaald onder welke inspecteur een belastingplichtige ressorteert. Die regeling beoogt slechts duidelijk te maken tot welke functionaris een belastingplichtige zich moet richten voor zijn fiscale aangelegenheden.
3.5.3. Dit brengt mee dat ten aanzien van een belastingplichtige meer dan één door de Uitvoeringsregeling aangewezen inspecteur bevoegd kan zijn.
**Conclusie**
Op grond van artikel 3 van de AWR heeft de inspecteur landelijke competentie. Binnen dit wettelijk kader worden ten behoeve van de belastingplichtige in de URB de landelijke directeuren van de segmenten benoemd als inspecteur, die vervolgens de functionarissen kunnen mandateren. Een werknemer die als natuurlijk persoon bezwaar maakt tegen een inhouding op zijn loon, kan zijn bezwaar indienen bij de inspecteur van het ressort waar hij zijn woonplaats heeft. In de regel zal zijn bezwaar behandeld worden bij het segment PDB. Aangenomen wordt dat zo nodig contact gezocht wordt met de inspecteur van de werkgever. Echter, op grond van voornoemde jurisprudentie moet aangenomen worden dat – binnen het kader van de ressorteerbepalingen – een (gemandateerd) inspecteur van een ander segment of kantoor in beginsel niet onbevoegd is te beslissen op het bezwaar.
Geef een reactie