-
1572286
De inspecteur kan een belastingplichtige die verzoekt om uitreiking van een aangifte niet weigeren om uit te nodigen tot het doen van aangifte, tenzij de termijn voor het opleggen van een aanslag is verstreken. Artikel 6, lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht de inspecteur om een belastingplichtige die daarom verzoekt, in elk geval uit te nodigen. De termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag bedraagt drie jaar en voor een navorderingsaanslag vijf jaar. Het standpunt van de inspecteur dat een verzoek om uitreiking van aangifte niet binnen de termijn van twee weken na het verstrijken van de uitnodiging kan worden gedaan, is niet van toepassing op deze situatie.
-
1572287
De informatieverplichting van artikel 76 van de Successiewet 1956 geldt voor degene die een aangifte indient voor een ander, zoals erfgenamen, schenker of executeurs. De boetebepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn niet van toepassing op schending van deze informatieverplichting, maar strafbepalingen zijn wel van toepassing. Omkering en verzwaring van de bewijslast bij niet-nakoming van de informatieverplichting zijn niet mogelijk, tenzij de belastingplichtige zelf de verplichting heeft geschonden. Dit betekent dat de inspecteur geen informatiebeschikking kan afgeven voor schending van artikel 76 Sw 1956, en dat de belastingplichtige niet geconfronteerd kan worden met een omkering van de bewijslast als de informatieverplichting door een ander niet is nagekomen.
-
1572288
De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 12 juli 2018 geoordeeld dat er geen vergrijpboete kan worden opgelegd op grond van artikel 10a AWR juncto artikel 15 UB OB wanneer er over een tijdvak geen aangifte omzetbelasting is gedaan. De rechtbank concludeert dat de suppletieplicht enkel geldt voor onjuist of onvolledig gedane aangiften en dat het niet doen van aangifte niet onder deze bepaling valt. Dit oordeel is gebaseerd op grammaticale wetsinterpretatie en de wetshistorie, waarbij duidelijk wordt dat de wetgever de suppletieplicht heeft willen beperken tot eerder gedane aangiften. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
-
1572290
De inspecteur moet een belastingplichtige die verzoekt om aangiftebiljetten uitnodigen tot het doen van aangifte voor de jaren waarin de belastingschuld nog kan worden geformaliseerd, wat betekent dat de navorderingstermijn van vijf jaar niet mag zijn verstreken. Voor jaren waar deze termijn wel is verstreken, kan de uitnodiging achterwege blijven. Dit volgt uit artikel 6, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en het rechtszekerheidsbeginsel. De kennisgroep bevestigt dat dit standpunt nog steeds geldt en dat de inspecteur in een binnenlandse situatie niet verder dan vijf jaar terug hoeft te gaan bij het uitreiken van aangiftebiljetten.
-
1572291
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde in 2012 dat belastingplichtigen recht hebben op wettelijke rente bij teruggaaf van dividendbelasting, ook als de Inspecteur geen verwijt treft. Sinds 1 januari 2015 geldt echter artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), dat belastingrente vergoedt in plaats van wettelijke rente voor teruggaafbeschikkingen. Dit artikel heeft onmiddellijke werking en is ook van toepassing op verzoeken die vóór deze datum zijn ingediend. De kennisgroep bevestigt dat bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van relevante stukken, geen rol spelen onder de nieuwe regeling. In de bezwaarfase is de termijn voor belastingrente niet meer opschortbaar, omdat deze termijn al verstreken is.
-
1572292
In deze memo van de Belastingdienst wordt besproken dat belanghebbenden in de bezwaarfase fouten kunnen herstellen die zij hebben gemaakt bij het aanvragen van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (VPB). De memo behandelt een casus waarin een moeder- en dochtermaatschappij een verzoek indienen voor een fiscale eenheid, maar later beseffen dat zij een fout hebben gemaakt in de aanvraag. De vragen die worden behandeld zijn of een positieve beschikking kan worden herroepen of aangepast in de bezwaarfase. Het antwoord is bevestigend, op basis van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat een volledige heroverweging van het besluit vereist. Dit biedt ruimte voor het corrigeren van zowel fouten van het bestuursorgaan als van de burger. De memo concludeert dat indien belanghebbenden na de beschikking besluiten de fiscale eenheid niet (meer) te willen of met een andere ingangsdatum willen laten ingaan, dit een relevant feit is voor de heroverweging in bezwaar. Tevens wordt kennisgroepstandpunt 04-206-0032 ingetrokken.
-
1572293
Per 1 januari 2020 is de boetevrije inkeerregeling van artikel 67n AWR niet meer van toepassing voor binnenlands inkomen uit sparen en beleggen. Een belastingplichtige die zijn aangiften over 2017 en 2018 vrijwillig corrigeert, kan alsnog een vergrijpboete opgelegd krijgen. Het legaliteitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 7 EVRM, staat dit niet in de weg, omdat de wetswijziging voorzienbaar was. De wijziging werd op Prinsjesdag 2019 aangekondigd, waardoor belastingplichtigen voldoende tijd hadden om hun aangiften aan te passen. De kennisgroep concludeert dat er geen onvoorzienbaarheid is en dat de wijziging niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel.
-
1572294
Het versturen van een (rappel)verzoek om informatie in de bezwaarfase schort de beslistermijn, zoals genoemd in artikel 7:10, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op. Dit is vastgesteld in het kader van de wetgeving en jurisprudentie, waarbij de beslistermijn enkel kan worden opgeschort onder specifieke voorwaarden die niet van toepassing zijn op het verzoek om informatie. Het bestuursorgaan draagt het risico van eventuele termijnoverschrijding wanneer het zelf om aanvullende informatie vraagt.
-
1572295
Het memo van de Belastingdienst behandelt de informatieverplichtingen van zowel de schenker als derden met betrekking tot de schenkbelasting. Schenkbelasting wordt geheven van de verkrijger en is afhankelijk van de woonplaats van de schenker, die in Nederland moet zijn. De inspecteur kan, indien hij aanwijzingen heeft van een schenking, informatie over de woonplaats van de schenker opvragen bij derden en de schenker zelf. De schenker heeft een inlichtingenplicht over zijn woonplaats, maar deze verplichting is beperkt tot relevante omstandigheden. Indien de schenker geen aangifte heeft gedaan en niet is uitgenodigd om dit te doen, kan de inspecteur geen onderzoek naar de woonplaats van de schenker instellen. De memo verduidelijkt ook dat de informatieverplichtingen van artikel 47 AWR en artikel 76 SW van toepassing zijn op de schenker en derden in bepaalde situaties.
-
1572296
Een belastingplichtige die verzuimd heeft de vereiste schriftelijke verklaring voor de verkrijging van een woning af te leggen, kan dit verzuim niet herstellen in de bezwaarfase. Volgens de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) is het noodzakelijk dat deze verklaring voorafgaand aan de verkrijging wordt afgelegd en aan de notariële akte wordt gehecht. Het ontbreken van deze verklaring op het moment van verkrijging betekent dat achteraf geen beroep kan worden gedaan op het verlaagde tarief of de vrijstelling. De bezwaarfase biedt wel ruimte voor heroverweging van fouten, maar niet voor het herstel van verzuimen die voortvloeien uit wettelijke vereisten.
-
1585115
De toepassing van de faciliteit van artikel 14a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een keuze voor de betrokken vennootschappen, niet een verplichting. Deze keuze kan gemaakt of gewijzigd worden tot het moment dat de aanslag van de afsplitsende of verkrijgende vennootschap onherroepelijk vaststaat. Beide vennootschappen dienen een gezamenlijke en gelijkluidende keuze te maken. Indien een verzoek om toepassing van deze faciliteit te laat is ingediend, kan onder bepaalde voorwaarden alsnog goedkeuring worden verleend, mits aan alle andere voorwaarden is voldaan en er geen onherroepelijke aanslag is vastgesteld.
-
1585116
De Belastingdienst overweegt naheffing en boete op een teruggaaf van omzetbelasting die ten onrechte is vastgesteld maar niet is uitbetaald, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude. De inspecteur kan de teruggaaf op basis van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) naheffen, aangezien de teruggaafbeschikking het recht op teruggaaf formaliseert, ongeacht of deze is uitbetaald. Tevens biedt de wet ruimte om gelijktijdig met de naheffingsaanslag een verzuim- of vergrijpboete op te leggen, omdat het niet uitbetalen van de teruggaaf geen invloed heeft op de mogelijkheid tot beboeten.
-
1585117
De inspecteur heeft de keuze om bij een winstuitdeling die ten onrechte buiten de belastingheffing is gebleven, alleen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op te leggen of zowel een navorderingsaanslag inkomstenbelasting als een naheffingsaanslag dividendbelasting. Deze keuze is echter gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur en jurisprudentie over de samenloop van aanslagen. Indien de dividendbelasting al is geheven via de inkomstenbelasting, kan geen naheffingsaanslag dividendbelasting meer worden opgelegd. De inspecteur hoeft geen beroep te doen op doelmatigheidsbepalingen als hij binnen zijn keuzevrijheid handelt.
-
1585118
Belanghebbende heeft in 2019 zijn aangifte inkomstenbelasting over 2017 ingediend, waaruit bleek dat hij geen belasting verschuldigd was. De inspecteur heeft echter een aanslag opgelegd van ruim €800.000, waarbij een fout leidde tot een te laag bedrag aan belastingrente van circa €30.000 in plaats van circa €90.000. De inspecteur onderzoekt of deze te weinig berekende belastingrente kan worden herzien op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR. De conclusie is dat de 30%-regel is nageleefd, aangezien de te weinig in rekening gebrachte belastingrente van €60.000 meer dan 30% van de wettelijk verschuldigde belastingrente bedraagt. Hierdoor kan de herziening van de belastingrente plaatsvinden, onafhankelijk van het bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting.
-
1585120
Het restant persoonsgebonden aftrek kan niet worden verrekend met het inkomen uit jaren waarvoor geen (navorderings)aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld. Dit is noodzakelijk om te waarborgen dat het inkomen, waartegen de aftrek wordt verrekend, officieel is vastgesteld. De wetgeving vereist dat de inspecteur het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking, en rechtsmiddelen kunnen alleen betrekking hebben op de aftrekposten, niet op het inkomen. Dit voorkomt dat belastingplichtigen in hun rechtsbescherming worden beperkt.
-
1588856
De Hoge Raad heeft op 26 juni 2020 geoordeeld dat een navorderingsaanslag die door een rechtsmiddel wordt verlaagd tot € 450, volledig moet worden vernietigd. Dit geldt ook voor verzoeken om ambtshalve vermindering op basis van artikel 9.6 Wet IB 2001. In casus 1, waar een navorderingsaanslag na een verzoek onder de correctiegrens komt, moet de aanslag worden vernietigd. In casus 2, waar de uitspraak op bezwaar onherroepelijk is vóór 26 juni 2020, moet het verzoek om vernietiging worden afgewezen. Het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering verandert niets aan de onherroepelijkheid van de aanslag. Het correctiebeleid is alleen van toepassing op navorderingsaanslagen die op de datum van het arrest nog niet onherroepelijk waren.
-
1644063
Een losse doorschuifbeschikking, die niet gelijktijdig met de belastingaanslag is vastgesteld, valt onder de reikwijdte van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit artikel biedt de mogelijkheid tot ambtshalve herziening in het voordeel van de belastingplichtige, ondanks dat de doorschuifbeschikking niet afzonderlijk op het aanslagbiljet is vermeld. De wetgever heeft beoogd dat belastingplichtigen voldoende rechtsbescherming genieten, en de grammaticale interpretatie die zou leiden tot minder rechtsbescherming is niet in lijn met de bedoeling van de wet. De inspecteur moet eventuele tekortkomingen in de rechtsbescherming compenseren, wat betekent dat ook een losse doorschuifbeschikking onder de regels van artikel 9.6 valt.
-
1644064
Een belastingplichtige kan bezwaar maken tegen een nihilaangifte omzetbelasting, ondanks dat de wet hier geen expliciete mogelijkheid voor biedt. Dit is gebaseerd op de interpretatie van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat een nihilaangifte gelijkgesteld kan worden met een voldoening op aangifte van nihil. Dit biedt de belastingplichtige de mogelijkheid om een teruggaaf te realiseren, zelfs als deze groter is dan het eerder voldane bedrag. Bij een positieve aangifte of een voldoening op aangifte kan ook bezwaar worden gemaakt, wat kan leiden tot een teruggaaf die de eerder betaalde belasting overschrijdt. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten bevestigd dat bezwaar tegen negatieve aangiften ontvankelijk is, wat de rechtsbescherming van belastingplichtigen versterkt.
-
1644065
Na het overlijden van een belastingplichtige op 1 maart 2021 kunnen de erfgenamen verzoeken om een definitieve aanslag inkomstenbelasting voor het jaar van overlijden. Het is mogelijk om deze aanslag voor het einde van dat jaar vast te stellen, maar de inspecteur is niet verplicht dit te doen. Hij kan ook kiezen voor een voorlopige aanslag als de definitieve belastingschuld nog niet duidelijk is. De materiële belastingschuld ontstaat gedurende het kalenderjaar en wordt geformaliseerd door het vaststellen van de aanslag.
-
1644066
Een standpunt van een kennisgroep kan kwalificeren als een op de zaak betrekking hebbend stuk volgens artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een beroep op geheimhouding of beperking van kennisneming op basis van artikel 8:29 Awb is alleen mogelijk bij gewichtige redenen. Delen van een kennisgroepstandpunt die openbaar zijn of op verzoek openbaar gemaakt moeten worden volgens de Wet open overheid (Woo), kunnen niet onder geheimhouding vallen. Gewichtige redenen voor geheimhouding kunnen onder andere de bescherming van privacy, effectieve controle, en geheimhouding van internationale correspondentie zijn. De Woo vormt de ondergrens voor openbaarmaking.
-
1644067
In deze uitspraak wordt ingegaan op de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inspecteur kan navorderen als te weinig belasting is geheven door een kenbare fout, zonder dat er een nieuw feit hoeft te zijn. De vragen en antwoorden verduidelijken de begrippen 'fout' en 'kenbaarheid'. Een beoordelingsfout van de inspecteur kan niet leiden tot navordering, ook niet bij een correctie van 30% of meer. Indien de inspecteur geen aanslag heeft opgelegd of een beschikking heeft gegeven om geen aanslag op te leggen, kan navordering niet plaatsvinden. Fouten door geautomatiseerde verwerking kunnen wel leiden tot navordering, mits de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat de aanslag onjuist was. De jurisprudentie bevestigt dat fouten door geautomatiseerde processen voor navordering in aanmerking komen, mits aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan.
-
1644068
De rechtbank heeft geoordeeld dat een conserverende navorderingsaanslag op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet mogelijk is, omdat niet is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. In dit geval was er een administratieve vergissing waardoor de conserverende aanslag niet binnen de aanslagtermijn van drie jaar was vastgesteld. De belastingplichtige had geen kennis van een conserverende aanslag of een beschikking waarin werd aangegeven dat er geen conserverende aanslag was opgelegd, waardoor hij niet redelijkerwijs kon weten dat er een fout was gemaakt. De rechtbank concludeert dat de heffingssystematiek van de conserverende aanslag gelijk moet zijn aan die van de gewone aanslag, en dat de navordering in dit geval niet kan plaatsvinden.
-
1707537
Een vennootschap heeft bezwaar gemaakt tegen de verliesverrekeningsbeschikking van de inspecteur, die verliesverrekening voor bepaalde boekjaren heeft geweigerd op basis van artikel 20, lid 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inspecteur stelt dat de verliezen uit eerdere jaren niet verrekend kunnen worden, terwijl de vennootschap meent dat dit wel mogelijk is. De vraag is of de vennootschap procesbelang heeft bij dit bezwaar, ondanks dat het bedrag van de beschikking niet kan wijzigen. Het antwoord is bevestigend; het bezwaar biedt de mogelijkheid om de toepassing van artikel 20, lid 4 Wet Vpb ter discussie te stellen, wat procesbelang oplevert. De kennisgroep concludeert dat het bezwaar ontvankelijk is, mits aan de overige vereisten is voldaan.
-
1707538
De casus betreft een naheffingsbevoegdheid bij dividendstripping waarbij de Nederlandse dochtervennootschap NL BV geen dividendbelasting heeft ingehouden op een uitkering aan de Luxemburgse moedervennootschap LuxCo, met een beroep op een nationale vrijstelling. De inspecteur is van mening dat NL BV wel belasting had moeten inhouden en overweegt een naheffingsaanslag op te leggen. De memo behandelt vragen over de dwingendheid van artikel 20 AWR, de cumulatieve vereisten voor vrijwaring bij dividendstripping, de noodzaak van een schriftelijke verklaring van de dividendontvanger, de betekenis van 'te goeder trouw', en de mogelijkheid van naheffing ondanks voldaan zijn aan de vrijwaringsvereisten. De antwoorden bevestigen dat de inspecteur geen keuzevrijheid heeft in het opleggen van de naheffingsaanslag, dat de vereisten cumulatief zijn, dat een mondelinge verklaring niet voldoende is, dat 'goede trouw' objectief en subjectief moet worden beoordeeld, en dat naheffing niet mogelijk is als aan de vrijwaringsvereisten is voldaan.
-
1707542
De uitreiking van het aangiftebiljet voor overdrachtsbelasting leidt niet tot een verlenging van de betalingstermijn. De verplichting tot betaling van de belasting ontstaat op het moment dat de belastingschuld ontstaat, en niet door het uitreiken van het aangiftebiljet. Belanghebbende heeft niet tijdig voldaan aan de betalingsverplichting en heeft ook niet binnen de gestelde termijn verzocht om uitstel of om uitgenodigd te worden tot het doen van aangifte. Hierdoor blijft de late betaling van de overdrachtsbelasting bestaan en is het opleggen van een vergrijpboete niet uitgesloten.
-
1707543
Bedrijf X is sinds 2009 ingedeeld in sector a voor loonheffingen, maar verzocht medio 2014 om met terugwerkende kracht in een goedkopere sector ingedeeld te worden. Dit verzoek werd door de Belastingdienst niet opgevolgd. De vragen die aan de orde zijn, betreffen of dit verzoek ook als een verzoek om ambtshalve vermindering van loonheffingen kan worden gekwalificeerd, of een correctie van de sectorpremie alleen via een correctiebericht kan plaatsvinden, en of er nog recht bestaat op ambtshalve vermindering over de jaren 2009 tot en met 2011. De antwoorden zijn als volgt: een verzoek om indeling in een andere sector kwalificeert als een verzoek om ambtshalve vermindering; een correctie kan ook zonder correctiebericht plaatsvinden; en er kan ambtshalve vermindering worden verleend over de volledige periode vanaf 2009, gezien de tijdigheid en de omstandigheden van het verzoek. De wettelijke kaders en uitvoeringsvoorschriften zijn hierbij van belang.
-
1707544
Bij de uitvoering van een controle kan de Belastingdienst een auditfile opvragen, die alle mutaties van de financiële administratie bevat. De belastingplichtige kan echter niet automatisch vertrouwen ontlenen aan de beoordeling van alle gegevens in de auditfile, tenzij de reikwijdte van het onderzoek duidelijk is aangegeven in de aankondigingsbrief en vastgelegd in het controlerapport. Als de auditfile wordt opgevraagd zonder dat de reikwijdte van het onderzoek is gespecificeerd, kan de indruk ontstaan dat de gehele administratie wordt onderzocht. Het vertrouwensbeginsel geldt alleen voor de onderdelen van de aangifte die zijn aangekondigd voor onderzoek. De belastingplichtige moet begrijpen wat de omvang van de controle is, en dit moet ook duidelijk in het controlerapport worden vermeld.
-
1707545
De Belastingdienst heeft in een memo verduidelijkt dat bij samenloop van strafrechtelijke vervolging en bestuurlijke boete op basis van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR) sprake kan zijn van "dezelfde gedraging" in de zin van artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat zowel een bestuurlijke vergrijpboete (artikel 67f AWR) als strafrechtelijke vervolging (artikel 69 AWR) mogelijk zijn voor verschillende aspecten van dezelfde belastingaanslag, mits de gedragingen nauwkeurig worden omschreven. De memo verwijst naar relevante jurisprudentie die bevestigt dat bij het niet doen van aangifte en het niet betalen van belasting, de tweede boete kan worden opgelegd voor een andere gedraging dan de eerste, zolang deze niet hetzelfde feit betreft.
-
1707546
In dit memo van de Belastingdienst wordt ingegaan op de vergoeding van belastingrente bij teruggaaf van loonheffingen, specifiek in het geval van een herziene sectorindeling. Belanghebbende heeft loonheffingen betaald, inclusief sectorpremies, en verzoekt om indeling in een sector met een lager premiepercentage. Het memo bevestigt dat een verzoek om (her)indeling leidt tot teruggaaf van sectorpremies. Verder wordt aangegeven dat belastingrente vergoed wordt als de teruggaafbeschikking niet binnen 8 weken na het verzoek wordt vastgesteld, als de teruggaaf verband houdt met een standpunt van de inspecteur, of als een afwijzende beschikking wordt omgezet in een teruggaafbeschikking na minstens 8 weken.
-
1707547
Een niet in Nederland gevestigde entiteit die zich als vrijwillige inhoudingsplichtige heeft aangemeld, kan de inhoudingsplicht volgens artikel 6, tweede lid, onderdeel b, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) niet eenzijdig beëindigen. De wet biedt geen mogelijkheid voor beëindiging van de inhoudingsplicht, ook niet als de entiteit de ingehouden loonheffing niet afdraagt. De inhoudingsplicht eindigt pas wanneer niet langer aan de voorwaarden van de wet wordt voldaan, en de ex-inhoudingsplichtige moet dit binnen een maand aan de inspecteur melden. Totdat deze mededeling is gedaan, blijft de ex-inhoudingsplichtige verplicht om nihil-aangiften in te dienen.
-
1707548
De dwangsombeschikking moet alsnog worden afgegeven, ondanks het verstrijken van de termijn van twee weken zoals voorgeschreven in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan blijft verplicht om de dwangsombeschikking te formaliseren, ongeacht het late verzoek van de belanghebbende. Verjaring van het recht op uitbetaling van de dwangsom is niet aan de orde, aangezien de verjaringstermijn pas begint te lopen na de bekendmaking van de dwangsombeschikking. Het bestuursorgaan kan zich niet beroepen op verjaring om het afgeven van de dwangsombeschikking te weigeren.
-
1707549
Dit memo van de Belastingdienst behandelt de samenloop van boetebepalingen uit artikel 4.7 van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) en artikel 67b lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Het bevestigt dat een onterecht Wtl-verzoek ook als een onjuiste aangifte onder de AWR kan worden beschouwd, en dat er een anti-cumulatieregel bestaat. Boetes voor het niet tijdig indienen van aangiften en voor onjuiste of onvolledige aangiften kunnen afzonderlijk worden opgelegd, met een wettelijk maximum dat één keer van toepassing is. De maximumboete bedraagt € 1.319 per overtreding. De wetgever heeft aangegeven dat samenloop van overtredingen niet wenselijk is, maar beide gedragingen kunnen wel apart worden beboet.
-
1707550
De Belastingdienst heeft een memo opgesteld over de uitleg van het begrip "behartigen van een sociaal belang" in artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Dit begrip is relevant voor lichamen die voornamelijk met vrijwilligers werken en in aanmerking willen komen voor een fictieve aftrekpost. De kennisgroep concludeert dat de uitleg van dit begrip aansluit bij de definitie in artikel 5c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Het memo bespreekt de historische context van de wetgeving, de invoering van het begrip in 2002, en de ontwikkeling van de regelgeving tot de huidige formulering. Voorbeelden van instellingen die een sociaal belang behartigen zijn onder andere sportverenigingen en muziekverenigingen. De memo benadrukt dat de inzet van vrijwilligers en de maatschappelijke waarde van de activiteiten belangrijke elementen zijn voor de kwalificatie als sociaal belang behartigende instelling.
-
1767963
De kennisgroep van de Belastingdienst heeft een memo opgesteld over de toelaatbaarheid van onkundig gelakte informatie in het kader van het opleggen van bestuurlijke boetes. In een casus heeft de inspecteur onkundig gelakte passages ontvangen van een belastingplichtige, waarbij de vraag is of deze informatie als bewijs kan worden gebruikt. De kennisgroep concludeert dat het verdedigbaar is om deze onkundig gelakte passages te gebruiken, maar er is een procesrisico omdat de rechtspraak hierover nog niet is vastgesteld. Het informele verschoningsrecht en het fair play-beginsel kunnen mogelijk in de weg staan van het gebruik van deze informatie, maar de verantwoordelijkheid voor het onkundig lakken ligt bij de adviseur en diens cliënt. De inspecteur heeft geen onrechtmatig handelen gepleegd en heeft het fair play-beginsel gerespecteerd. De uiteindelijke beoordeling ligt bij de rechter.
-
1767964
De kennisgroep Premieheffing Inhouding/Wtl heeft vragen gesteld over de toepassing van een arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor kleine werkgevers, in het kader van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). De inspecteur kan dit arrest niet toepassen op al onherroepelijk vaststaande afdrachten, conform paragraaf 23, twaalfde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB). Dit houdt in dat de inspecteur geen discretionaire bevoegdheid heeft om hiervan af te wijken. De regeling in het BFB staat echter wel afwijkingen door de Staatssecretaris toe in bijzondere situaties. De kennisgroep concludeert dat aanpassing van het BFB niet nodig is.
-
1767965
Tijdens een controle van premiekortingen door de Belastingdienst is vastgesteld dat werkgevers soms te veel of te weinig premiekortingen hebben geclaimd. Bij een positief saldo kan een naheffingsaanslag worden opgelegd voor te weinig afgedragen premies. Echter, bij een negatief saldo is ambtshalve teruggaaf mogelijk zonder dat een correctiebericht vereist is, mits de inspecteur dit besluit. De premiekortingen zijn bedoeld om werkgevers te stimuleren werknemers met een uitkering in dienst te nemen. De regels omtrent premiekortingen zijn per 1 januari 2018 gewijzigd, maar de inspecteur kan nog steeds naheffingen opleggen of teruggaaf verlenen op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
-
1788560
De inspecteur ontving op 1 januari 2018 een verzoek om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016 in een goedkopere bedrijfssector ingedeeld te worden. Op 15 maart 2018 werd de sectorindeling gewijzigd met terugwerkende kracht voor 2016, 2017 en een deel van 2018. Er is recht op vergoeding van belastingrente voor de teruggaaf over 2016, berekend van 26 februari 2018 tot en met 29 maart 2018. Het indienen van negatieve correctieberichten na de herindelingsbeschikking heeft geen invloed op de periode waarover belastingrente wordt berekend; het moment van ontvangst van het eerste verzoek is bepalend. Indien enkel correctieberichten worden ingediend zonder een verzoek om herindeling, moet de belastingrente worden berekend op basis van het moment van indienen van die correctieberichten, mits dit leidt tot een herindelingsbeschikking.
-
1921396
De Belastingdienst heeft bevestigd dat de inspecteur vragen kan stellen op basis van artikel 47 AWR en een informatiebeschikking kan nemen volgens artikel 52a AWR, zelfs nadat de beslistermijn voor het bezwaar is verstreken. Tevens wordt de beslistermijn verlengd indien de informatiebeschikking wordt genomen voordat er beroep is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit is in lijn met de rechtspraak, waarbij de bevoegdheid van de inspecteur om informatie te vorderen tot het moment van beroep blijft bestaan. Het nemen van een informatiebeschikking kan echter onder bepaalde omstandigheden in strijd komen met de beginselen van behoorlijk bestuur.
-
1921397
De Belastingdienst heeft in een memo van 2 maart 2018 richtlijnen gegeven over de behandeling van verzoeken om vaststelling of herziening van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) wanneer belastingplichtigen hun aangifte niet of niet tijdig hebben ingediend. De inspecteur kan dergelijke verzoeken afwijzen op basis van artikel 13, lid 5, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), met als doel fraude te bestrijden. De beoordeling of de aangifte tijdig is ingediend, vindt plaats op het moment van ontvangst van het verzoek, waarbij ook eventuele uitstel- en aanmaningstermijnen in acht worden genomen. Indien de aangifte op dat moment nog niet is ingediend, kan de inspecteur het verzoek afwijzen, wat leidt tot een verhoogd frauderisico. Een afwijzing dient te geschieden bij een voor bezwaar vatbare beschikking, conform artikel 9.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-
1921398
Belastingplichtigen die ingekeerd zijn voor buitenlands box 3 vermogen kunnen bij navorderingsaanslagen alleen betaalde lijfrentepremies aftrekken voor zover deze binnen de jaarruimte vallen, zoals gedefinieerd in artikel 3.127, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001. Premies die de jaarruimte overschrijden zijn niet aftrekbaar. Aftrek op basis van de reserveringsruimte is niet mogelijk na het onherroepelijk vaststaan van de primitieve aanslag. Het alsnog in aanmerking nemen van lijfrentepremies kan enkel leiden tot een vermindering van de navorderingsaanslag, maar niet van een al vastgestelde aanslag.
-
1921399
Sinds 1 juli 2016 is het niet naleven van de administratieverplichtingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) strafbaar als economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten (WED). Een overtreding van deze administratieplicht kan worden vervolgd op basis van de WED, zelfs als de feiten ook onder de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vallen. Er is geen specialis-verhouding tussen de AWR en de WED, waardoor de zwaardere strafbepaling van de WED prevaleert. De maximale straf voor overtreding van de WED is hoger dan die van de AWR, wat betekent dat de WED-bepaling voorrang heeft bij vervolging.
-
1921400
Een inhoudingsplichtige die niet reageert op een uitnodiging tot het doen van aangifte loonheffingen kan een verzuimboete oplopen, ook als hij geen personeel meer heeft. Artikel 67b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) stelt dat de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen bij het niet indienen van de aangifte. Hoewel de letterlijke tekst van de wet suggereert dat er geen verzuimboete kan worden opgelegd aan iemand die geen inhoudingsplichtige meer is, wordt in de rechtspraktijk aangenomen dat de term 'inhoudingsplichtige' ook 'vermoedelijk inhoudingsplichtige' omvat. Dit is bevestigd door verschillende rechters. Indien een aangifte blanco wordt geretourneerd met een gemotiveerde toelichting, kan dit als pleitbaar worden beschouwd, mits de redenen aan de inspecteur zijn meegedeeld.
-
1950066
In een memo van de Belastingdienst wordt ingegaan op de mogelijkheid voor belastingplichtigen om een verzoek in te dienen met betrekking tot de toepassing van artikel 34e, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit verzoek moet uiterlijk vóór het moment van aanslagregeling worden ingediend, zodat de inspecteur het verzoek kan meenemen bij het vaststellen van de aanslag. De kennisgroep formeel recht stelt dat foutherstel mogelijk is tot het moment waarop de aanslag onherroepelijk vaststaat, mits het verzoek tijdig en conform de gestelde voorwaarden is ingediend.
-
1950472
In het document wordt besproken hoe herzieningen van belastingaanslagen in de agrarische sector kunnen plaatsvinden, specifiek voor de jaren 2000 tot en met 2005. Het herstel van het onttrekkingsresultaat en eventuele vervolgcorrecties kunnen leiden tot aanpassingen van de aanslagen, mits de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. De keuze om al dan niet bij te dragen aan de oudedagsreserve en de mate van willekeurige afschrijvingen kan herzien worden, zolang dit resulteert in een verlaging van de oorspronkelijke aanslag en geen onherroepelijke fiscale gevolgen heeft. De herziening moet plaatsvinden op basis van een vaststellingsovereenkomst tussen de belastingplichtige en de inspecteur, waarbij de redelijkheid en billijkheid van de overeenkomst bepalend zijn voor de mogelijkheid tot herziening van keuzes. Algemeen geldt dat zolang een aanslag niet onherroepelijk is, keuzes bij de aangifte herzien kunnen worden, mits dit leidt tot een lagere aanslag.
-
1950473
Het begrip "bij de aangifte" verwijst naar de mogelijkheid voor belastingplichtigen om keuzes te maken of verzoeken in te dienen tot het moment dat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Dit betekent dat belastingplichtigen hun keuze kunnen herzien of een verzoek kunnen indienen, zolang de aanslag nog niet definitief is. In gevallen waar de wet expliciet vereist dat iets "bij de aangifte" moet gebeuren, is dit duidelijk vastgelegd in de wet of de parlementaire geschiedenis. Jurisprudentie bevestigt dat verzoeken die na het indienen van de aangifte worden gedaan, maar vóór de onherroepelijkheid van de aanslag, als tijdig worden beschouwd.
-
1951161
De Belastingdienst is op grond van artikel 64 van de Participatiewet en artikel 54 van de Wet SUWI verplicht om actief gegevens te verstrekken aan gemeenten, het UWV en de SVB over de samenloop van uitkeringen met inkomen of vermogen. Het opnemen van inkomensgegevens in de Basisregistratie Inkomen (BRI) voldoet niet aan deze informatieplicht, omdat deze gegevens alleen op verzoek worden verstrekt en niet spontaan. Dit betekent dat de Belastingdienst ook separaat informatie moet verstrekken, ongeacht of de instanties aangesloten zijn bij de BRI of beperkte toegang hebben. De verplichting tot informatieverstrekking gaat verder dan alleen de inkomensgegevens in de BRI.
-
1951162
In dit memo van de Belastingdienst wordt ingegaan op de voorwaarden voor de vergoeding van belastingrente volgens artikel 30fd van de AWR. Ten eerste kan een belastingplichtige bezwaar maken tegen het niet vergoeden van belastingrente, maar alleen nadat de inspecteur een schriftelijke beslissing over de belastingrente heeft genomen. Als er geen bedrag aan belastingrente op het aanslagbiljet staat, kan dit worden geïnterpreteerd als een impliciete vaststelling van de belastingrente op nihil. Ten tweede is de voorwaarde dat de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte moet zijn vastgesteld, niet voldaan als de belastbare winst en het belastbare bedrag op de aanslag afwijken van die in de aangifte. Hierdoor is er geen recht op vergoeding van belastingrente. De memo verwijst naar relevante jurisprudentie en wetgeving die deze conclusies ondersteunen.
-
1951163
De Belastingdienst heeft vastgesteld dat, ondanks een reeds geautomatiseerd opgelegde aanslag op basis van een onjuiste aangifte, het mogelijk is om een doorschuifbeschikking ex artikel 11 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 vast te stellen naar het juiste bedrag aan over te brengen buitenlands inkomen uit werk en woning. De formele vereisten voor deze beschikking, waaronder de gelijktijdige vaststelling met de aanslag, zijn niet belemmerend voor het later vaststellen van de juiste doorschuifbeschikking.
-
1951164
Een algemeen nut beogende instelling (ANBI) moet het burgerservicenummer (BSN) van de schenker bewaren in de administratie, ook al brengt dit extra kosten met zich mee door de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De wettelijke verplichting om gegevens te bewaren staat niet ter discussie, aangezien de wetgever heeft bevestigd dat het BSN in de onderhandse akte van schenking moet worden opgenomen. Het ontbreken van dit gegeven zou de controleerbaarheid van de akte beïnvloeden en daarmee het recht op giftenaftrek in gevaar brengen. De ANBI is administratieplichtig en kan niet zonder toestemming van de inspecteur afwijken van deze verplichting.
-
1951165
De Belastingdienst overweegt navorderingsaanslagen op te leggen aan een belastingplichtige met buitenlands box 3 vermogen, gebruikmakend van de verlengde navorderingstermijn uit artikel 16, vierde lid, van de AWR. Bij het vaststellen van deze aanslagen moet rekening worden gehouden met binnenlandse box 3-schulden, waarvoor de belastingplichtige de bewijslast draagt. De inspecteur heeft de bewijslast voor het bestaan van bezittingen, tenzij de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is, bijvoorbeeld bij niet-ingediende aangiften. Binnenlandse schulden moeten kwalificeren als box 3-schuld volgens de Wet IB 2001 om in aanmerking te komen voor de navorderingsaanslag.