AI-samenvatting
Voor belastingjaren vanaf 2010 dient een buiten de wettelijke termijn ingediend bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting (IB) als verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling te worden genomen. Op dit verzoek moet bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beslist. Er is geen sprake van een verzwaarde bewijslast bij een verzoek om ambtshalve vermindering volgens artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De inspecteur moet ambtshalve een belastingaanslag verminderen zodra hem een onjuistheid blijkt, tenzij de termijn van vijf jaar is verstreken. De kennisgroep adviseert om bij niet-ontvankelijk verklaarde bezwaren deze als verzoek om ambtshalve vermindering te behandelen, ter bevordering van rechtsbescherming.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
Voor belastingjaren vanaf 2010 dient een buiten de wettelijke termijn ingediend bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting (IB) als verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling te worden genomen. Op dit verzoek moet bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beslist. Er is geen sprake van een verzwaarde bewijslast bij een verzoek om ambtshalve vermindering volgens artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De inspecteur moet ambtshalve een belastingaanslag verminderen zodra hem een onjuistheid blijkt, tenzij de termijn van vijf jaar is verstreken. De kennisgroep adviseert om bij niet-ontvankelijk verklaarde bezwaren deze als verzoek om ambtshalve vermindering te behandelen, ter bevordering van rechtsbescherming.
**Documenttitel: 2130151**
Belastingdienst
Naam dienstonderdeel
Kennisgroep Formeel Recht
Contactpersoon
§.1.2e
5.1.2
Mm e Mm O @belastingdienst.nl
Datum
9 september 2016
Versienummer 16-206-0010
Onderwerp Vastgesteld door Ambtshalve verminderen in het kader van artikel 9.6 Wet IB Kennisgroep Formeel Recht
Kopie aan
**Vraag:**
1. Dient voor belastingjaren vanaf 2010 een buiten de (wettelijke) termijn ingediend bezwaar tegen een aanslag IB/PH als verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling te worden genomen?
2. Dient op dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking te worden beslist?
3. Is bij een verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van artikel 9.6 Wet IB 2001 sprake van een verzwaarde bewijslast, nu in artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001 wordt gesproken over “is gebleken”?
**Antwoord:**
1. Ja.
2. Ja.
3. Nee.
**Van toepassing zijnde regelgeving**
Artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) luidt als volgt:
1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.
2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd.
3. Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de belastingaanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, alsmede de belastingrente en de revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de belastingaanslag.
Artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: UR IB 2001) luidt als volgt:
De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:
a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
c. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
d. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of
e. sprake is van enig feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting is geheven en als gevolg van die heffing een andere belasting, al dan niet van dezelfde belastingplichtige, ter zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting het bedrag van de andere belasting te boven gaat.
**Beschouwing (interne toelichting; maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Voor belastingaanslagen inkomstenbelasting vanaf het belastingjaar 2010 geldt ingevolge artikel 9.6 Wet IB 2001 een exclusieve regeling voor wat betreft ambtshalve verminderen. Artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is ter zake van deze verminderingen niet langer van toepassing. Bepaald is dat in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve wordt verminderd (artikel 9.6, tweede lid, Wet IB 2001). In artikel 45aa UR IB 2001 is in dit kader onder meer bepaald dat de inspecteur een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld ambtshalve vermindert, zodra hem dat is gebleken, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 9.6, derde lid, Wet IB 2001).
In artikel 8, derde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB) is bepaald dat in alle gevallen waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, het zo mogelijk ambtshalve in behandeling wordt genomen.
Indien buiten de termijn een bezwaar is ingediend tegen een aanslag IB 2010, schrijft het BFB voor om het bezwaar ambtshalve in behandeling te nemen. In artikel 8, derde lid, BFB wordt immers gesproken over alle gevallen, zodat hieronder ook bezwaren tegen aanslagen IB moeten worden begrepen.
Aangezien het een aanslag IB 2010 betreft, geeft artikel 9.6 Wet IB 2001 jo artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001 aan of aan een ambtshalve vermindering wordt toegekomen. Ingevolge artikel 45aa UR IB 2001 voormeld, komt de inspecteur niet toe aan een ambtshalve vermindering omdat de termijn van vijf jaren is verstreken.
De letterlijke tekst van artikel 9.6, derde lid, Wet IB 2001 dwingt de inspecteur niet om deze constatering neer te leggen in een voor bezwaar vatbare beschikking. De tekst van de wet spreekt immers over een “verzoek” dat is gedaan en een “verzoek” dat wordt afgewezen. Bij het ontbreken van een dergelijk verzoek zou op basis van de wettekst dan ook geen expliciete beslissing van de inspecteur vereist zijn. De kennisgroep is echter van mening dat dit niet strookt met de bedoeling van de regeling die in artikel 9.6 Wet IB 2001 is getroffen, een en ander bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 8, derde lid, BFB. Artikel 9.6 Wet IB heeft tot doel rechtsbescherming te bieden dan wel te vergroten. Indien de staatssecretaris het wenselijk acht dat in feite bezwaren die niet-ontvankelijk worden verklaard, door de inspecteur worden behandeld als waren zij een verzoek om ambtshalve vermindering, dan verdient het vanuit oogpunt van de beoogde rechtsbescherming aanbeveling om ook te handelen alsof een dergelijk verzoek is gedaan.
Steun voor bovenstaande visie of handelwijze (conversie) kan worden gevonden in de uitspraak van Hof Amsterdam van 7 januari 2016, ECLI: NL:GHAMS:2016:37. De rechtbank vatte het bezwaar c.q. de brief van belanghebbende waarmee hij bezwaar heeft aangetekend op als een verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001 en de uitspraak op bezwaar als een afwijzende beschikking van de inspecteur van dat verzoek. Het Hof volgt de rechtbank in hoger beroep.
Dit brengt dan mee om in de genoemde gevallen de beslissing om geen ambtshalve vermindering te verlenen vanwege overschrijding van de in artikel 45aa UR IB 2001 genoemde termijn neer te leggen in een voor bezwaar vatbare beschikking met als dictum: “Ik wijs uw verzoek af omdat vijf jaren zijn verstreken na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft.”
Omwille van de duidelijkheid voor de belastingplichtige verdient het aanbeveling om op het bezwaar en het (impliciete) verzoek om ambtshalve vermindering separaat te beslissen.
**Vraag 3**
Verwezen wordt mede naar het antwoord op vraag 2 van standpunt 14-206-0005 van de kennisgroep. Uit de tekst van de wet zelf volgt niet dat op belastingplichtige een zwaardere bewijslast rust.
Uit de parlementaire toelichting blijkt ook niet dat een wijziging is beoogd ten opzichte van het verleden als het gaat om het aanleggen van de toets of een belastingplichtige in aanmerking komt voor een ambtshalve vermindering. Indien dit zou zijn beoogd, had het ook voor de hand gelegen dat de wetgever hier expliciet aandacht aan zou hebben geschonken.
Voor wat betreft de ambtshalve vermindering die op grond van artikel 65 AWR kan worden verleend, geldt dat deze wordt verleend als een belanghebbende daar redelijkerwijs voor in aanmerking komt.
Indien in aanmerking wordt genomen dat artikel 9.6 Wet IB 2001 is ingevoerd om rechtsbescherming te borgen, valt niet in te zien dat voor die bepaling een afwijkende en zwaardere maatstaf zou moeten worden aangelegd. Om een dergelijke majeure afwijking aan te nemen op basis van een bepaling in de Uitvoeringsregeling ligt niet in de rede.
Het moet — indachtig het voorgaande – er dan ook voor worden gehouden dat het gebruik van de woorden “is gebleken” ziet op het bekend worden aan de inspecteur van de onjuistheid. Er is met betrekking tot de toets geen wijziging beoogd in vergelijking met de reguliere behandeling van een bezwaar of beroep.
Wel vindt de toets of een belastingplichtige in aanmerking komt voor een ambtshalve vermindering plaats binnen de grenzen van artikel 45aa UR Wet IB 2001. De gevallen die in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering zijn aldaar beschreven. In termen van bewijslast kan een belastingplichtige voor wat betreft de genoemde gevallen doorgaans volstaan met “aannemelijk maken”.
Recent oordeelde ook Rechtbank Noord-Nederland (uitspraak van 26 mei 2016, nummer 15/5197) in een beroepsprocedure betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PH 2013 dat belanghebbende slechts aannemelijk hoeft te maken en niet overtuigend hoeft aan te tonen. De rechtbank oordeelde dat: “op eiseres de bewijslast rust om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aannemelijk is dat de door haar gedane uitgaven kwalificeren als uitgaven voor geneeskundige hulp in de zin van de wet op de inkomstenbelasting. De gradatie daarbij is “aannemelijk maken en niet overtuigend aantonen.”
Niet bekend is of eiseres in hoger beroep is gegaan.
Tenslotte wijst de kennisgroep op een uitspraak van Hof Amsterdam van 11 augustus 2016 (ECLI: NL: GHAMS:2016:3374) waarin het Hof oordeelde: “Het Hof overweegt dat uit de tekst van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, in samenhang met het hiervoor opgenomen citaat uit de toelichting op die bepaling, niet (zoals de rechtbank wel heeft geoordeeld) volgt dat sprake is van een verzwaarde bewijslast voor de belastingplichtige in de zin dat hij overtuigend dient aan te tonen dat de belastingaanslag te hoog is vastgesteld. Het Hof kent, zo er al onduidelijkheid is ter zake van de interpretatie van voormelde bepaling (in het bijzonder van de bedoelde zinsnede van voormeld artikel 45aa), waarde toe aan de totstandkomingsgeschiedenis omdat hieruit volgt dat de zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling gaat over de wijze waarop de inspecteur de bewuste informatie (die hem heeft doen besluiten tot het ambtshalve verminderen van de belastingaanslag in kwestie) heeft bereikt. Dit kan zijn op aandragen van de belastingplichtige of door een eigen onderzoek van de inspecteur c.q. de Belastingdienst, aldus de toelichting. Aan de term ‘gebleken’ dient dan ook niet de door de rechtbank voorgestane bewijslastverdeling te worden gekoppeld. Het Hof zal bij de navolgende beoordeling de ‘normale’ bewijslastverdeling als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat gelet op het feit dat belanghebbende zich op een aftrekpost beroept en de inspecteur die post heeft betwist, belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken op grond waarvan hij recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven.”
Geef een reactie