2081640

AI-samenvatting

Belastingplichtige heeft uitstel aangevraagd voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012, wat is gehonoreerd met een verlenging van 13 maanden. Na de indiening van de aangifte is de definitieve aanslag vastgesteld. Belastingplichtige stelt dat de aanslag te laat is opgelegd, omdat het verleende uitstel alleen zou gelden voor het P-biljet en niet voor het O-biljet. De Belastingdienst concludeert echter dat het eerder verleende uitstel ook geldt na de biljetwissel, ongeacht het type biljet. De mededeling bij het O-biljet dat een nieuw uitstelverzoek nodig is, doet hieraan niet af, aangezien het uitstel al was verleend. De aanslag is daarom tijdig opgelegd, en belastingplichtige kan geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat er geen schade is aangetoond die voortvloeit uit de onjuiste mededeling.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Belastingplichtige heeft uitstel aangevraagd voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012, wat is gehonoreerd met een verlenging van 13 maanden. Na de indiening van de aangifte is de definitieve aanslag vastgesteld. Belastingplichtige stelt dat de aanslag te laat is opgelegd, omdat het verleende uitstel alleen zou gelden voor het P-biljet en niet voor het O-biljet. De Belastingdienst concludeert echter dat het eerder verleende uitstel ook geldt na de biljetwissel, ongeacht het type biljet. De mededeling bij het O-biljet dat een nieuw uitstelverzoek nodig is, doet hieraan niet af, aangezien het uitstel al was verleend. De aanslag is daarom tijdig opgelegd, en belastingplichtige kan geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat er geen schade is aangetoond die voortvloeit uit de onjuiste mededeling.

**Belastingdienst**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep Formeel Recht
Contactpersoon: [GEANONIMISEERD]
Datum: 2 augustus 2017
Versienummer: 17-206-0020

**MEMO**
Onderwerp: Aanslagtermijn bij biljetwissel na kenbaar verleend uitstel voor het doen van aangifte
Bijlagen: Geen

Belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2012 (P-biljet). Belastingplichtige heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. Met het verzoek is ingestemd en er is kenbaar uitstel verleend voor een periode van 13 maanden. De adviseur van belastingplichtige heeft vervolgens verzocht om toezending van een O-biljet. Bij toezending van dit O-biljet is een geautomatiseerd emailbericht verstuurd, waarin is aangegeven dat de aangifte IB/PVV 2012 vóór 1 juli 2013 moet zijn ingediend en dat als belastingplichtige uitstel wil, daartoe een schriftelijk verzoek dient te worden ingediend. Na het indienen van de aangifte wordt begin december 2016 de definitieve aanslag IB/PVV 2012 vastgesteld. Belastingplichtige betoogt dat de aanslag buiten de termijn van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is opgelegd. Hij neemt het standpunt in dat het verleende uitstel van 13 maanden alleen betrekking heeft op de eerste uitnodiging (het P-biljet) en niet op het daarna toegezonden O-biljet, omdat het bijbehorende emailbericht aangeeft dat om uitstel moet worden verzocht. Dit heeft volgens belastingplichtige tot gevolg dat voor de uiteindelijk ingediende aangifte (door middel van het O-biljet) geen uitstel is verleend en dat de aanslag daarom te laat is opgelegd.

**Vraag**
Werkt eerder kenbaar verleend uitstel voor het doen van aangifte door na een biljetwissel?

**Antwoord**
Ja.

**Beschouwing (interne toelichting, maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Artikel 9 AWR bepaalt:
“1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.
2. De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. Hij kan aan de verlenging voorwaarden verbinden, onder meer dat vóór een door hem te bepalen datum op bij ministeriële regeling te bepalen wijze gegevens voor het opleggen van een voorlopige aanslag worden verstrekt.
3. De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.”

Artikel 11, derde lid, van de AWR bepaalt:
“De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.”

Het uitstel is door belastingplichtige gevraagd en aan hem kenbaar gemaakt (HR 18 maart 1998, nr. 32.880, BNB 1998/179, met noot van R.E.C.M. Niessen). Aldus is aan de vereisten voor de toepassing van uitstel voldaan. Het uitstel wordt verleend ongeacht de soort aangifte die het betreft. Het maakt dus in beginsel niet uit of het een P-biljet of een O-biljet betreft. Dit betekent dat de termijn voor het opleggen van de aanslag in beginsel wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel.

Deze opvatting wordt ondersteund door het arrest Hoge Raad 17 november 1999, nr. 34 507, BNB 2000/257. Daarin is het volgende overwogen:
“Het gaat hier om de vraag of het door de Inspecteur verleende uitstel voor de indiening van het B-biljet, dat is bestemd voor binnenlandse belastingplichtigen, met betrekking tot de door de Inspecteur aan belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige opgelegde aanslag kan worden aangemerkt als uitstel, verleend voor het doen van aangifte, als bedoeld in artikel 11, lid 3, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). In een geval als het onderhavige, waarin de Inspecteur kennelijk na kennisneming van het B-biljet tot de conclusie is gekomen dat belanghebbende (mogelijk) een deel van het onderhavige jaar als buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt, is een bevestigend antwoord op voormelde vraag in overeenstemming met de strekking van deze bepaling, die inhoudt dat de inspecteur in redelijkheid met het vaststellen van de aanslag pas een begin kan maken nadat de termijn van het door hem verleende uitstel voor het indienen van de aangifte is verstreken.”

In dit verband is niet van belang, dat belanghebbende alvorens de aanslag is opgelegd een C-biljet, dat is bestemd voor buitenlandse belastingplichtigen, is uitgereikt. De uitreiking van dat C-biljet kan immers niet afdoen aan de rechtsgevolgen van het verleende uitstel voor de indiening van het B-biljet, mede in aanmerking genomen dat het de Inspecteur vrijstond, gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 2, van de AWR, zonder eerst nog een C-biljet uit te reiken een aanslag aan belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige op te leggen.

De mededeling bij het O-biljet dat wanneer belastingplichtige uitstel wil, daartoe een schriftelijk verzoek moet worden ingediend, doet aan het voorgaande niet af. Er is immers al eerder een verzoek om uitstel ingediend en gehonoreerd. De mededeling brengt daar geen verandering in. De mededeling bij het O-biljet kwalificeert als een algemene mededeling/inlichting. Een belastingplichtige kan daaraan alleen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen indien:
– de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen; en
– de belastingplichtige ten gevolge van het afgaan op de toelichting niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting moet betalen, maar daarnaast nog schade lijdt. De belastingplichtige moet iets hebben gedaan of nagelaten, dat hij zonder de verkregen inlichtingen niet zou hebben gedaan of nagelaten.

Voor de beantwoording van de vraag of de belastingplichtige de onjuistheid van de inlichting had moeten beseffen geldt een redelijkheidstoets. Hierbij is van belang dat belastingplichtige bij het doen van de aangifte hulp had van de adviseur. De adviseur had moeten begrijpen dat de mededeling op het O-biljet niet inhield dat het reeds verleende uitstel voor het doen van aangifte niet meer gold. De kennis van de adviseur kan aan de belastingplichtige worden toegerekend.

Bovendien kan alleen dan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan indien sprake is van schade die is veroorzaakt door een handelen of nalaten dat zonder de verkregen inlichting niet zou hebben plaatsgevonden. Daarvan is uit de voorgelegde casus niets gebleken.

**Conclusie**
Nu kenbaar uitstel voor het doen van aangifte is verleend en belastingplichtige geen vertrouwen kan ontlenen aan de onjuiste mededeling op het nadien verstrekte O-biljet, wordt de aanslagtermijn verlengd met de duur van het kenbaar verleende uitstel (13 maanden). De aanslag is tijdig opgelegd.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *