2080899

AI-samenvatting

Een verzoek om teruggaaf van belasting op grond van de Wet BPM, ingediend na de termijn van dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De inspecteur behandelt het verzoek vervolgens als een verzoek om ambtshalve teruggaaf, waarbij hij de teruggaaf verleent voor het bedrag waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit BPM stelt specifieke voorwaarden voor teruggaaf, waaronder de termijn van dertien weken, die als een fatale termijn wordt beschouwd. De Hoge Raad heeft bevestigd dat niet-naleving van deze termijn leidt tot verval van het recht op teruggaaf.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Een verzoek om teruggaaf van belasting op grond van de Wet BPM, ingediend na de termijn van dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De inspecteur behandelt het verzoek vervolgens als een verzoek om ambtshalve teruggaaf, waarbij hij de teruggaaf verleent voor het bedrag waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit BPM stelt specifieke voorwaarden voor teruggaaf, waaronder de termijn van dertien weken, die als een fatale termijn wordt beschouwd. De Hoge Raad heeft bevestigd dat niet-naleving van deze termijn leidt tot verval van het recht op teruggaaf.

**Belastingdienst**
Naam dienstonderdeel: Kennisgroep Formeel Recht
Contactpersoon: [GEANONIMISEERD]
Datum: 11 januari 2017
Versienummer: 17-206-0002
Onderwerp: Uitleg 13-weken-eis van artikel 14a Wet BPM juncto artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM.

**Casus**
Een verzoek tot teruggaaf op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wegens het vervallen van de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister omdat het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt na 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling ingediend.

**Vraag**
Op welke wijze wordt op het verzoek beslist?

**Antwoord**
Het verzoek tot teruggaaf dient (bij voor bezwaar vatbare beschikking) niet-ontvankelijk te worden verklaard. In hetzelfde geschrift behandelt de inspecteur het verzoek als een verzoek om ambtshalve teruggaaf. De inspecteur verleent ambtshalve de teruggaaf van belasting waarvoor belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt.

**Beschouwing (interne toelichting; maakt geen onderdeel uit van het antwoord)**
Artikel 14a Wet BPM geeft aan in welke situaties sprake kan zijn van teruggaaf van belasting. De nadere voorwaarden en beperkingen die gelden bij het daadwerkelijk overgaan tot teruggaaf van belasting staan uitputtend benoemd in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsbesluit BPM).

**Artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM luidt:**
“1. De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoeld teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister blijkens dit register niet wordt aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring;
b. het motorrijtuig op het moment, bedoeld in onderdeel a, niet voldoet aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en degene op wiens naam het motorrijtuig te naam was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van die tenaamstelling in het kentekenregister dit bij het verzoek, bedoeld in onderdeel c, verklaart;
c. het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister; en
d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. De teruggaaf wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend.”

Artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM regelt dat als een auto wordt geëxporteerd alsmede uitgeschreven wordt uit het kentekenregister, onder bepaalde voorwaarden een verzoek om teruggaaf gedaan kan worden. Het betreft een viertal eisen waaraan voldaan moet zijn wil men in aanmerking komen voor teruggaaf.

In casu gaat het vervolgens om de interpretatie van de voorwaarde beschreven in artikel 4a, lid 1, sub c Uitvoeringsbesluit BPM. De vraag die voorligt is of indien er sprake is van een schending van deze voorwaarde overgegaan dient te worden tot een ambtshalve beoordeling of afwijzend moet worden beschikt omdat niet voldaan is aan een van de voorwaarden?

Artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM en het daaraan ten grondslag liggende artikel 14a Wet BPM zijn in de wet opgenomen na de totstandkoming van het Belastingplan 2007 (Nota van wijziging BP2007, artikel X). Met de nieuwe bepalingen werd onder meer beoogd een teruggaaf van BPM bij export te creëren, waarbij rekening zou worden gehouden met een bij ministeriële regeling vast te stellen afschrijvingspercentage dat van de gebruiksduur afhankelijk is. In de toelichting bij artikel X wordt de termijn van dertien weken voor het verzoek niet genoemd.

In de toelichting bij het besluit waarbij artikel 4a in het Besluit werd opgenomen (Staatsblad 22 december 2006, 684) wordt de termijn van dertien weken wel als voorwaarde genoemd, maar evenmin nader toegelicht. De vraag of de termijn van dertien weken als een “harde” (materiële) eis moet worden gezien of dat sprake is van een procedurele (formele) termijn valt dan ook niet op grond van de toelichtingen bij het wetsvoorstel te beantwoorden, tenzij je a contrario zou redeneren dat, nu niets specifieks over de termijn is vermeld, er de facto geen bijzondere redenen zijn om een specifieke termijn van dertien weken op te nemen.

Het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2009 (ECLI: NL:HR:2009: BH3318) inzake de teruggaaf van energiebelasting op basis van de Wet belastingen op milieugrondslag geeft meer duidelijkheid.

Net als in artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM is op grond van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag vereist dat een verzoek om teruggaaf voor die belastingen binnen een termijn van 13 weken moet worden gedaan. De Hoge Raad oordeelt in duidelijke bewoordingen dat deze termijn van 13 weken een fatale termijn betreft.

De Hoge Raad overweegt:
“Aan het voorschrift van artikel 8c, lid 1, van het Besluit, dat het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 361, lid 1, van de Wet uiterlijk dertien weken na het einde van het kalenderjaar dient te worden gedaan, kan geen andere strekking worden toegekend dan dat daarmee een voorwaarde is gesteld die tot gevolg heeft dat bij niet-voldoening daaraan het recht op teruggaaf vervalt.”

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de inspecteur de verzoeken om teruggaaf terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ingevolge onderdeel 23, lid 1, sub e en onderdeel 23, lid 7, sub c van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht behandelt de inspecteur een verzoek dat niet-ontvankelijk is, als een verzoek om ambtshalve verminderen of teruggeven van belasting. De inspecteur verleent ambtshalve de vermindering of teruggaaf van belasting waarvoor belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking komt bij de uitspraak waarin de niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *