1804496

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de toepassing van de per element benadering in relatie tot Europese dochtervennootschappen. De ruling bevestigt dat de laatste volzin van artikel 20 lid 6 Wet Vpb oud ook van toepassing is als werknemers in dienst zijn bij een buitenlandse dochtermaatschappij die voldoet aan de vereisten voor een fiscale eenheid.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

Kennisgroep Bijzondere winstbepalingen VPB
2019 16 Per element benadering 20 25 werknemers

Aan
Van
Betreft
Datum

Kennisgroep Bijzondere winstbepalingen VPB
Per element benadering 20 25 werknemers
oktober 2019

**VRAAG**
Is met een beroep op de per elementbenadering de laatste volzin van artikel 20 lid Wet Vpb oud ook van toepassing als de betreffende werknemers niet in dienst zijn bij de belastingplichtige zelf maar bij een Europese dochtervennootschap die behalve het vestigingsvereiste voldoet aan alle vereisten van een binnenlandse fiscale eenheid?

**ANTWOORD**
Ja, artikel 20 lid laatste volzin Wet Vpb oud is ook van toepassing als de werknemers in dienst zijn bij een Europese dochtermaatschappij die behalve het vestigingsvereiste voldoet aan alle vereisten van een binnenlandse fiscale eenheid.

**TOELICHTING**

**FEITEN**
Een Nederlandse vennootschap houdt een 100% belang in een Spaanse SL. De activiteiten van de Nederlandse vennootschap bestaan volledig uit het houden van deze deelneming en vallen daarmee onder de werking van artikel 20 lid Wet Vpb oud. De Spaanse deelneming heeft personeel in dienst. Het is voor de Nederlandse vennootschap niet mogelijk om de Spaanse deelneming te voegen in de fiscale eenheid omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de SL in Nederland is gevestigd. Voor het overige wordt aan alle binnenlandse eisen voor een fiscale eenheid voldaan. Voor de toets van artikel 20 lid Wet Vpb oud is op basis van de laatste volzin van artikel 20 lid Wet Vpb oud geen sprake van houdster- en financieringsactiviteiten als bij belastingplichtige tenminste 25 werknemers andere dan houdster- of financieringsactiviteiten verrichten. Belastingplichtige wenst met een beroep op de per elementbenadering de personeelsleden van de Spaanse deelneming conform artikel 20 lid laatste volzin Wet Vpb oud mee te nemen in de toets of op het niveau van de Nederlandse vennootschap sprake is van een houdstermaatschappij in de zin van artikel 20 lid Wet Vpb.

**BESCHOUWING**
De vraag of de activiteiten van een buitenlandse EU-dochtermaatschappij kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de activiteiten op grond van artikel 20 lid Wet Vpb is reeds eerder beantwoord. In de derde nieuwsbrief van de kennisgroep fusies fiscale eenheden 2018 is hierover het volgende opgemerkt:
“Het gevolg hiervan is dat voor nog openstaande aangiften, afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden, in voorkomende gevallen het vaststellen van een verlies als houdsterverlies niet langer mogelijk is. Op onherroepelijk vastgestelde houdsterverliesbeschikkingen wordt niet teruggekomen.”

De vereiste specifieke feiten en omstandigheden zijn dat er sprake is van een in Nederland gevestigde houdstermaatschappij met een of meer deelnemingen in EU-lidstaten, voldaan wordt aan de vereisten voor de vorming van een fiscale eenheid, met uitzondering van de vestigingsplaatseis en de andere hiervoor beschreven uitzonderingen op de voorwaarden, en de hypothetisch te voegen vennootschap ervoor zorgt dat gezamenlijk bezien geen sprake is van houdster- of financieringsactiviteiten. Een verlies kan met een beroep op de per elementbenadering dan niet worden vastgesteld als een houdsterverlies. Het staat een belastingplichtige daarbij vrij om te kiezen welke buitenlandse deelnemingen wel en niet worden ‘meegenomen’ in het per elementbenadering standpunt. Voorgaande dient in concrete casussen met de kennisgroep Bijzondere winstbepalingen nader te worden afgestemd.

Voor het bepalen van de activiteiten van een Nederlandse vennootschap in de zin van artikel 20 lid Wet Vpb oud mag op basis van de per elementbenadering dus rekening worden gehouden met de activiteiten van een EU-dochtervennootschap, mits deze voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten voor het vormen van een fiscale eenheid. In casu wordt, behalve de vestigingseis, voldaan aan de eisen voor het vormen van de fiscale eenheid.

Achterliggende gedachte van het in de nieuwsbrief ingenomen standpunt is dat als de dochtermaatschappij in Nederland gevestigd zou zijn, voeging in een fiscale eenheid met de moedermaatschappij mogelijk zou zijn. In dat geval zouden voor de toets van artikel 20 lid Wet Vpb oud zowel de activiteiten van de moedermaatschappij als die van de dochtermaatschappij meegenomen mogen worden. In het geval van een binnenlandse fiscale eenheid zou het in dienst zijn van 25 voltijds werknemers die geen houdster- en financieringsactiviteiten verrichten, voldoende zijn om op basis van de laatste volzin van artikel 20 lid Wet Vpb oud geen houdster- of financieringsmaatschappij te zijn voor de regeling van artikel 20 lid Wet Vpb oud. In het geval van een binnenlandse fiscale eenheid is niet relevant of deze werknemers op het niveau van de moeder of de dochtervennootschap in dienst zijn. Nu op basis van de per elementbenadering de activiteiten van een EU-vennootschap die overigens voldoet aan de vereisten van een fiscale eenheid mogen worden meegenomen voor de toets van artikel 20 lid Wet Vpb oud, geldt dit evenzeer voor de werknemerstoets van artikel 20 lid laatste volzin Wet Vpb oud.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *