AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de kansspelbelasting (KSB) als voorheffing kan worden aangemerkt voor een vpb-plichtige spelaanbieder. De conclusie is dat de KSB wel wordt geheven, maar niet als voorheffing op de eindheffing, waardoor deze niet verrekenbaar is.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**KSB als voorheffing**
**10 feb 2020**
Tags: geen
Deze vraag is beantwoord
Vraag geregistreerd onder nummer 11 2020 03
Vraag vat 2e
Vraag in behandeling bij 2^1^
**GEACCEPTEERD ANTWOORD**
Betreft KSB voorheffing
**24 feb 2020**
Antwoord aan Behandelteam
Voor deze vpb-plichtige spelaanbieder wordt de verrekening van kansspelbelasting (KSB) in art. 15 AWR jo art. 25 lid Wet VpB geregeld. Als voorheffingen worden aangewezen de geheven dividendbelasting, uitgezonderd de belasting die op de voet van artikel 12 eerste lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 is geheven, en naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting, betrekking hebbende op bestanddelen van de winst en van het Nederlandse inkomen. Ten aanzien van een belastingplichtige die is aangemerkt als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 wordt de dividendbelasting niet als een voorheffing aangewezen.
Artikel 25 lid Vpb stelt aan verrekening van de in dat artikel genoemde voorheffingen twee eisen:
1. de opbrengst (de prijs) is een bestanddeel van de winst van de ontvanger van die opbrengst (de prijswinnaar);
2. de geheven belasting, dat is de belasting die als vooruitbetaling op een eindheffing reeds ten laste van de ontvanger van de opbrengst (de prijs) is geheven.
In voorliggende casus is er sowieso geen ruimte voor verrekening omdat de prijs niet in de heffingsgrondslag van de spelaanbieder valt. Eigenlijk nogal bijzonder dat die adviseur deze stelling durft te verdedigen.
Wel is het zo dat de spelaanbieder de prijsuitdeler (art. lid letter wet KSB) de belastingplichtige is ten laste van wie de KSB wordt geheven. KSB wordt dus onder omstandigheden op grond van art. lid letter wet KSB geheven ten laste van de spelaanbieder. Kortom, de KSB wordt wel geheven ten laste van de spelaanbieder maar niet als voorheffing op zijn eindheffing. De geheven KSB is dus geen met de VpB eindheffing verrekenbare voorheffing in de zin van art. 25 VpB.
De KSB die door deze exploitant wordt geheven op basis van het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten minus de ter beschikking gestelde prijzen (het bruto spelresultaat) is een zakelijke heffing die het bedrijfsresultaat vermindert. De KSB is voor deze spelaanbieder een aftrekbare last, aangezien er geen sprake is van een naar de prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting. De aftrekbeperking van 10 Vpb is niet van toepassing.
**Conclusie AG van Hilten 24 September 2015**
De AG overweegt dat voor de inkomstenbelasting heffing over prijzen minus inzetten moet worden gelijkgesteld aan heffing over prijzen. De Kennisgroep vindt dit een erg vergaand standpunt dat niet nader onderbouwd is. De argumenten die in jullie pre-advies zijn opgenomen treffen doel.
**Conclusie**
De kennisgroep deelt de mening dat het standpunt van het behandelteam KSB juist is. Wij zien een eventuele beroepsprocedure met belangstelling tegemoet en willen graag geïnformeerd blijven.
Geef een reactie