AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de toepassing van artikel 20a Wet Vpb in relatie tot houdstermaatschappijen en de inkrimpingstoets. De staatssecretaris geeft aan dat de beoordeling afhankelijk is van de specifieke situatie en branche, waardoor de inspecteur ruimte heeft voor een zelfstandige beoordeling.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1804337**
**Inleiding**
Met ingang van januari 2018 zijn de leden 16 en 17 die zijn toegevoegd aan artikel 15 in werking getreden. Dit betekent ten aanzien van artikel 20a dat dit artikel dient te worden toegepast op vennootschappelijk niveau en niet op het niveau van de fiscale eenheid. Bij de parlementaire behandeling heeft de fractie van het CDA aangegeven dat door toepassing van de spoedreparatiemaatregelen op artikel 20a veel vaker dan tot nu toe vragen rijzen over de toepassing van de inkrimpings- en beëindigingstoets bij eenvoudige houdstermaatschappijen. De leden van de fractie vragen ten aanzien van de inkrimpingstoets dan ook hoe de in de wetsgeschiedenis genoemde factoren personeelsbezetting, omzet en bezittingen bij een houdstermaatschappij moeten worden ingevuld en getoetst en hoe ze onderling moeten worden gewogen. De staatssecretaris geeft hier geen afdoend antwoord op en beperkt zich tot een reactie in algemene zin. Hij geeft aan dat dit afhangt van de desbetreffende bedrijfstak.
**Vraag**
Gezien het feit dat er noch in de literatuur noch in de jurisprudentie een eenduidig antwoord wordt gegeven op bovengenoemde vraag, wil ik deze vraag graag bij de kennisgroep neerleggen, daar ik een casus onderhanden heb waarbij artikel 20a van toepassing is bij een houdstermaatschappij, dit in samenhang met de wetswijziging spoedreparatie fiscale eenheid. In mijn beschouwing poog ik hier enige richting aan te geven.
**Feiten**
Houdster BV fungeert als moedermaatschappij van een fiscale eenheid waartoe een tiental dochtervennootschappen behoren die ondernemingswerkzaamheden verrichten. Daarnaast houdt zij ongeveer twintig buitenlandse deelnemingen. In het oudste openstaande verliesjaar van de fiscale eenheid heeft Houdster BV naast houdsteractiviteiten eveneens een hoofdkantoorfunctie. Er werken [GEANONIMISEERD] mensen bij het hoofdkantoor, waarvan een nog niet te bepalen deel werkzaamheden verricht voor de dochtermaatschappijen. Er is geen personeel werkzaam ten behoeve van de houdsteractiviteiten. De verliezen die geleden worden door de fiscale eenheid in de jaren [GEANONIMISEERD] zijn toerekenbaar aan Houdster BV en met name aan de houdsteractiviteiten. De verliezen bedragen ca. [GEANONIMISEERD] en bestaan grotendeels uit liquidatieverliezen. Bij de overname van de aandelen in de Houdster BV in [GEANONIMISEERD] wordt de hoofdkantoorfunctie overgeheveld naar een nieuwe vennootschap in [GEANONIMISEERD] en resteert enkel een houdsteractiviteit. Aangezien er geen afname is van de activiteiten tot minder dan 30% van de omvang van de werkzaamheden in het oudste verliesjaar, is artikel 20a wet Vpb niet van toepassing (artikel 20a lid 4a). De bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid met de Nederlandse overnemer als moedermaatschappij. Het verlies van de oude fiscale eenheid clusterverlies betreft derhalve een voorvoegingsverlies. In [GEANONIMISEERD] worden de aandelen in de overnemer overgenomen door [GEANONIMISEERD] en is er wederom sprake van een belangenwijziging ingevolge artikel 20a lid wet Vpb.
**Buiten verzoek**
In de parlementaire geschiedenis wordt gesproken over een terugwerkende kracht met ingang van 25 oktober 2017. Dit omdat de verliezen van een fiscale eenheid vaak zijn toe te rekenen aan de houdstermaatschappij die als moedermaatschappij van een fiscale eenheid fungeert. Zie reactie van de Staatssecretaris op april 2019 op vragen in het kader van het nadere schriftelijke overleg inzake het wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid, eerste kamer vergaderjaar 2018-2019, 34959.
**GEACCEPTEERD ANTWOORD**
Betreft artikel 20a lid bij houdstermij i.c.m. nieuwe fe wetgeving.
Dag [GEANONIMISEERD],
Zoals net besproken, jouw casus is tijdens de laatste vergadering aan bod gekomen. Ook wij hebben met deze casus geworsteld. De inkrimpingstoets is ook bij de houdstervennootschap een feitelijke toets die aan de hand van diverse factoren bepaald kan worden. Gelet op doel en strekking van de spoedreparatie moet deze toets op stand-alone basis bepaald worden. Consolidatie botst immers met het uitgangspunt van zelfstandige belastingplicht. Daarbij is de inkrimpingstoets een feitelijke toets die aan de hand van diverse factoren bepaald kan worden. Er is kennelijk voor gekozen om deze factoren niet in de wet op te nemen. Daarmee heeft de inspecteur de ruimte gekregen om te bepalen aan welke criteria in de concrete situatie het meeste gewicht toegekend moet worden. Dat is onder meer afhankelijk van de branche en de overige feiten. De kennisgroep kan jou helaas niet meer richting geven dan de staatssecretaris eerder heeft aangegeven tijdens de parlementaire behandeling. Maar daarmee heeft de inspecteur wel de ruimte gekregen om zelfstandig een beoordeling uit te voeren en kan hij daarmee het beste recht doen aan de concrete situatie. Je kunt dus op basis van de feiten een beslissing nemen die naar jouw oordeel het meeste recht doet aan de situatie. Voor wat betreft jouw vraag over de toepassing van 20a lid 12, wij zien dit spanningsveld niet. Dit is een logisch gevolg van de stand-alone basis. Dat de houdstervennootschap op stand-alone basis geen activiteiten heeft om te herwaarderen is inherent aan de regeling. Ik vertrouw erop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Geef een reactie