AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of er naast de beurs- en vergunningencriteria ook een expliciet zelfstandig breed publiek vereiste geldt voor de soepele aandeelhouderseisen in artikel 28 van de Wet Vpb. Het antwoord is ontkennend, wat betekent dat er geen aanvullend vereiste is vastgesteld.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Kennisgroep Bijzondere Winstbepalingen Vpb**
**Aan:**
**Betreft:** De soepeiere aandeelhouderseisen van art. 28
**Aanvullend breed publiek vereiste**
**Datum:** 26 november 2021
**Nummer vraag:** 11 2021 14
**Verkorte omschrijving vraag**
**1a.** Is voor de toepassing van artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb de zogenoemde soepeiere aandeelhouderseisen naast het beurs- en vergunningencriterium sprake geweest van een expliciet zelfstandig breed publiek vereiste?
**1b.** Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, is rond de wetswijzigingen van artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb op augustus 2007 en 22 juli 2013 verandering opgetreden inzake het expliciet zelfstandig breed publiek vereiste?
**Antwoord**
**1a.** Nee, hoewel de wetgever met het opnemen van het beurs- en vergunningencriterium in artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb 1969 tot uitdrukking heeft willen brengen dat de soepeiere aandeelhoudereisen alleen van toepassing zijn wanneer rechten van deelneming worden aangeboden aan een breed publiek, is voor de toepassing van die bepaling geen sprake geweest van een expliciet zelfstandig breed publiek vereiste.
**1b.** Vraag 1a is ontkennend beantwoord en derhalve behoeft vraag 1b niet beantwoord te worden.
**Onderbouwing**
**Beschouwing 1a**
Niet alleen een beleggingsinstelling zelf moet aan bepaalde wettelijke vereisten voldoen om als fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi) te kwalificeren; de wet stelt voor die kwalificatie ook een aantal kwalitatieve en kwantitatieve vereisten aan de aandeelhouders van het lichaam. De kwalitatieve en kwantitatieve aandeelhoudersvereisten zijn opgenomen in artikel 28 tweede lid sub en sub Wet Vpb.
Artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb wordt gekenmerkt door soepeiere kwalitatieve en kwantitatieve aandeelhoudersvereisten dan artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb. Artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb luidt sinds 22 juli 2013 als volgt: indien de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in dat lichaam zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel van de Wet op het financieel toezicht, of het lichaam dan wel zijn beheerder beschikt over een vergunning op grond van de artikelen 65 of 69b van die wet, of daarvan is vrijgesteld op grond van de artikelen 66 derde lid of 69c derde lid van die wet, geldt ten aanzien van de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid dat het belang bij het lichaam niet voor een vierde gedeelte of meer berust bij een enkele natuurlijke persoon.
2° zowel van het totaal aantal aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid als van de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die bij ontbinding van het lichaam delen in de reserves van het lichaam, niet vijfenveertig procent of meer bij een lichaam berust, niet zijnde een beleggingsinstelling als bedoeld in de aanhef van dit onderdeel, of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat is onderworpen aan een in enige vorm naar de winst geheven belasting of waarvan de winst in een zodanige belasting wordt betrokken bij de gerechtigden tot het vermogen of tot de winst van het lichaam, dan wel bij twee of meer zodanige lichamen welke met elkaar zijn verbonden, waarbij mede in aanmerking worden genomen de aandelen of de bewijzen van deelgerechtigdheid op grond waarvan vorenbedoelde lichamen al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden in de algemene vergadering van aandeelhouders stemrechten kunnen uitoefenen.
Op grond van het huidige artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb zijn de soepeilere aandeelhoudersvereisten dus van toepassing indien niet cumulatief:
– de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in dat lichaam zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft),
– het lichaam dan wel zijn beheerder over een vergunning op grond van de artikelen 65 of 69b van de Wft beschikt, of daarvan is vrijgesteld op grond van de artikelen 66 derde lid of 69c derde lid van de Wft.
Deze wettekst is zeer specifiek geformuleerd en voorzien van expliciete definities en verwijzingen. Een grammaticale interpretatie biedt dan ook geen ruimte voor het onderkennen van een in aanvulling daarop zelfstandig toe te passen breed publiek vereiste. De vervolgvraag is of de wetsgeschiedenis hier nog een ander licht op werpt. Hierna gaan wij in op de relevante wetswijzigingen en toelichtingen daarop.
Met ingang van januari 1992 respectievelijk juli 1990 zijn artikel 28 tweede lid sub ten eerste respectievelijk ten tweede in de Wet Vpb opgenomen, waarmee de eerste aandeelhouderseisen in het fbi-regime werden geïntroduceerd.
In eerste instantie kende het voorstel voor het onder genoemde artikel 28 tweede lid sub ten eerste Wet Vpb geen nadere regulering. De eis van een officiële Amsterdamse beursnotering beoogde veilig te stellen dat sprake was van feitelijk handelen, hetgeen onbedoeld gebruik van een fbi in de ondernemingssfeer zou uitsluiten.
Tweede Kamer vergaderjaar 1987-1988, 20 701 nr. 10.
Naar aanleiding van deze transacties tussen ondernemingen en gelieerde beleggingsinstellingen heb ik mij de vraag gesteld of de destijds door de wetgever gemaakte keuze om geen dwingend voorschrift met betrekking tot het aandeelhouderschap in de wet op te nemen herziening behoeft. Ik meen dat dit inderdaad het geval moet zijn. Gelet op het voorgaande stel ik voor aan het aandeelhouderschap in de beleggingsinstelling voorwaarden te verbinden. Het lijkt hierbij naar mijn oordeel voor de hand om het houderschap van de aandelen in eerste aanleg te beperken tot natuurlijke personen.
**Beschouwing 1b**
In artikel 28 tweede lid sub Wet Vpb is naast het beurs- en vergunningencriterium geen expliciet zelfstandig breed publiek vereiste opgenomen. Vraag 1a is ontkennend beantwoord en derhalve behoeft vraag 1b niet beantwoord te worden.
Geef een reactie