1704181

AI-samenvatting

Op 15 juni 2016 heeft de Belastingdienst een memo uitgebracht over de belastingplicht van Sociale Werkplaatsbedrijven (SW bedrijven) in het kader van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb. De memo bevestigt dat de categorieën A tot en met C kwalificeren voor de doelgroep eis van deze wet, mits de activiteiten voor 90% of meer gericht zijn op het bieden van passende werkzaamheden aan mensen met een beperking. Categorie A betreft personen met een loonwaarde van 0%-20%, categorie B van 20%-60% (beschut werk), en categorie C van 60%-80%, met verdere onderverdelingen. Categorie D, met een loonwaarde van 80%-100%, kwalificeert niet voor de vrijstelling. Daarnaast wordt gesteld dat begeleidende activiteiten bij detachering naar reguliere werkgevers ook als passende werkzaamheden kunnen worden aangemerkt, mits aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

AI-samenvatting

Op 15 juni 2016 heeft de Belastingdienst een memo uitgebracht over de belastingplicht van Sociale Werkplaatsbedrijven (SW bedrijven) in het kader van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb. De memo bevestigt dat de categorieën A tot en met C kwalificeren voor de doelgroep eis van deze wet, mits de activiteiten voor 90% of meer gericht zijn op het bieden van passende werkzaamheden aan mensen met een beperking. Categorie A betreft personen met een loonwaarde van 0%-20%, categorie B van 20%-60% (beschut werk), en categorie C van 60%-80%, met verdere onderverdelingen. Categorie D, met een loonwaarde van 80%-100%, kwalificeert niet voor de vrijstelling. Daarnaast wordt gesteld dat begeleidende activiteiten bij detachering naar reguliere werkgevers ook als passende werkzaamheden kunnen worden aangemerkt, mits aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan.

**Kantoor Den Haag**
Telefoon
Telefax
Handel en transport team 1
Postbus 30206
2500 GE 'S-GRAVENHAGE
Doorkiesnummer
Datum: 15 juni 2016
Uw kenmerk: Belastingdienst
Kenmerk: 16-211-0019
Betreft: Vrijstelling artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb en de sociale werkplaatsbedrijven

Geachte collega,

Op uw verzoek hierbij het antwoord op de vragen over de belastingplicht van Sociale Werkplaatsbedrijven (hierna: SW bedrijven) voorgelegd aan de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen.

**Vraag 1:**
Kwalificeren de hierna genoemde categorieën A tot en met C voor de doelgroep eis van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb? Volledigheidshalve zij opgemerkt dat ervan wordt uitgegaan dat categorie D niet als zodanig kwalificeert.

**Antwoord:**
Ja

**Beschouwing:**
Team BBO heeft een aantal verzoeken binnen gekregen vanuit diverse SWbedrijven. Deze verzoeken hebben betrekking op de toepassing van de subjectvrijstelling van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb. Deze vrijstelling kan worden toegepast indien de activiteiten van een lichaam bestaan uit het voor 90% of meer bieden van een passende werkzaamheid aan mensen met een beperking. Het moet dan gaan om mensen met:
(a) een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking waarvoor
(b) een grote afstand tot de arbeidsmarkt geldt en
(c) welke mensen nadrukkelijk niet in staat zijn om op eigen kracht een duurzame plek te vinden respectievelijk te houden op de reguliere arbeidsmarkt.

Overigens dient tevens te worden voldaan aan artikel 4 Uitvoeringsbesluit Vpb. Het winstklemvereiste wordt in dit memo buiten beschouwing gelaten.

Tot deze groep kunnen in elk geval mensen met een WSW-indicatie worden gerekend. Vanaf 1 januari 2015 is de zogenoemde Participatiewet in werking getreden. Als gevolg van deze wet is de oude WSW op "slot" gegaan en worden er geen WSW-indicaties meer afgegeven. Met ingang van de Participatiewet 2015 worden mensen ingedeeld op loonwaarden. Dit houdt in dat gekeken wordt naar capaciteiten van een persoon en in hoeverre iemand zelfstandig werkzaamheden kan verrichten. De verschillende (loonwaarde) categorieën zijn gekoppeld aan het minimumloon (een percentage van). De doelgroep waarvoor de Wet geldt is gelijk aan de doelgroep die eerder onder de WSW viel. Vanuit de Participatiewet bestaat de intentie om mensen van begeleidend werken naar een regulier arbeidsproces te leiden. Personen die onder de participatiewet vallen krijgen een loonwaarde beschikking afgegeven. Naast het UWV kunnen de sociale werkplaatsen deze ook zelf afgeven (door hiervoor opgeleid personeel). Deze loonwaarde beschikking is verplicht.

Doordat vanaf 2015 geen WSW-indicaties meer worden afgegeven, is opnieuw de vraag voorgelegd wanneer sprake is van kwalificerende activiteit in de zin van artikel 5, lid 1, sub c, ten tweede Wet Vpb. Op grond van de Participatiewet kunnen binnen dergelijke werkbedrijven een aantal ‘doelgroepen’ worden onderscheiden. In onderstaande worden de verschillende categorieën nader uitgewerkt:

– **Categorie A** betreft de categorie waarbij personen zelfstandig een loonwaarde kunnen genereren tussen de 0%-20% ten opzichte van het wettelijke minimumloon. Genoemde categorie wordt niet genoemd in het Besluit loonkostensubsidie, omdat deze categorie een zorgtraject en/of dagbesteding wordt aangeboden.
– **Categorie B** betreft de categorie waarbij personen zelfstandig een loonwaarde kunnen genereren tussen de 20%-60%. Over het algemeen kan deze categorie worden geduid als de zogenoemde “beschut werk doelgroep”. Onder deze categorie kan het voorkomen dat enkele personen zelfstandig een hogere loonwaarde genereren dan de bandbreedte 20%-60%, deze personen komen toch voor “beschut werk” in aanmerking wanneer zij hun werkzaamheden uitsluitend kunnen verrichten onder (onevenredig) veel of voortdurende begeleiding.
– **Categorie C** betreft de categorie waarbij personen zelfstandig een loonwaarde kunnen genereren tussen de 60%-80%. Deze categorie is onder te verdelen in een drietal “subcategorieën”.

**Subcategorie 1:** Het is mogelijk dat een persoon op de loonlijst staat van een werkbedrijf en als zodanig ondersteuning en begeleiding van het werkbedrijf krijgt bij het uitvoeren van werkzaamheden bij een “reguliere” werkgever. De begeleiding loopt als het ware mee. Over het algemeen is hier geen sprake van individuele detachering maar van groepsdetachering.

**Subcategorie 2:** De tweede “subcategorie” betreft een kleine groep personen die daadwerkelijk op de loonlijst staan van een reguliere werkgever (begeleid werken). Het werkbedrijf verzorgt in die situatie nog steeds de ondersteuning en begeleiding. Over het algemeen zal hier niet snel sprake van zijn omdat het risico voor een reguliere werkgever te hoog is.

**Subcategorie 3:** De derde “subcategorie” betreft het zogenoemde “inhouse detacheren”. Dit betreft personen die binnen het werkbedrijf worden ‘uitgeleend aan’ een groepsmaatschappij (bijvoorbeeld een 100%-dochtervennootschap).

**Categorie D** bestaat uit een groep personen die zelfstandig een loonwaarde van 80%-100% kunnen genereren. Deze categorie valt niet onder het besluit loonkostensubsidie, aangezien dit besluit een ‘aftopping’ kent bij een loonwaarde van 80% of meer. In die situatie is de afstand tot regulier werk klein en bovendien is die afstand tot regulier werk in de regel slechts tijdelijk. In deze categorie vinden in beginsel reïntegratiewerkzaamheden plaats en worden er sollicitatietrainingen gegeven.

In de voorgelegde situatie moet worden getoetst of een lichaam (werkbedrijf) nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verricht welke bestaan uit het bieden van een passende werkzaamheid aan mensen met een beperking. Uit de wettekst volgt dat tot deze doelgroep in elk geval mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking behoren. Gezien de te onderscheiden categorieën binnen de Participatiewet, waarbij op een objectieve manier wordt vastgelegd in hoeverre een persoon begeleiding, dan wel ondersteuning nodig heeft, is de kennisgroep van mening dat de categorieën A tot en met C kwalificeren voor de doelgroep eis van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb.

**Vraag 2:**
Ten aanzien van categorie C en de benodigde begeleiding van deze categorie: dienen de begeleidende en ondersteunende activiteiten in het geval van detachering naar een reguliere werkgever, al dan niet in groepsverband, te worden aangemerkt als het bieden van een passende werkzaamheid in de zin van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb?

**Antwoord:**
Ja, onder voorwaarde

**Beschouwing:**
De vrijstelling van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb kent naast de doelgroep eis ook een werkzaamhedentoets:
‘Een lichaam dient nagenoeg uitsluitend (oftewel voor 90% of meer) werkzaamheden te verrichten, welke bestaan uit het bieden van een passende werkzaamheid aan mensen met een beperking.’

Het voor 90% of meer bieden van een passende werkzaamheid aan mensen met een beperking is op zich niet voldoende om te kwalificeren voor de vrijstelling. Gelet op de vorige wettekst (wettekst tot en met 2011) moet het gaan om mensen met:
(1) een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking waarvoor
(2) een grote afstand tot de arbeidsmarkt geldt en
(3) welke mensen nadrukkelijk niet in staat zijn om op eigen kracht een duurzame plek te vinden respectievelijk te houden op de reguliere arbeidsmarkt.

De activiteiten genoemd onder de categorieën A en B vormen in beginsel kwalificerende werkzaamheden in de zin van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb. Bij deze categorieën zitten mensen met een beperking waarvoor een grote afstand tot de arbeidsmarkt geldt en welke mensen niet in staat zijn om op eigen kracht een duurzame plek te vinden resp. te houden op de reguliere arbeidsmarkt. De begeleiding die deze categorieën nodig hebben om ze in staat te stellen arbeid te verrichten is groot.

In categorie C kan hierbij onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin het begeleidend personeel wordt mee gedetacheerd vanuit de vennootschap/GR waar ook de werknemers op de loonlijst staan en de situatie dat het begeleidend personeel op de loonlijst staat van de groepsvennootschap.

Daarnaast kan de situatie zich voordoen dat werknemers op de loonlijst van een reguliere werkgever staan. In dit geval staat het begeleidend personeel op de loonlijst van het SW bedrijf. Ook de ‘subsidie’ die wordt ontvangen (hoogte afhankelijk van de loonwaarde), komt binnen bij het SW bedrijf.

De vrijstelling van artikel 5, lid 1 sub c Wet Vpb is een subjectgebonden bepaling. Dit houdt in dat op lichaamsniveau moet worden bekeken of aan de voorwaarden van de bepaling wordt voldaan. De kennisgroep is van mening dat indien sprake is van categorie A t/m C en de werkzaamheden voor 90% of meer bestaan uit het bieden van een passende werkzaamheid, voldaan wordt aan de vrijstelling van artikel 5, lid 1 sub c ten tweede Wet Vpb.

Ten aanzien van bovenstaande geschetste situaties betekent dit dat:
– de ondersteunende en begeleidende activiteiten die een werkbedrijf in geval van detachering verricht, ongeacht of dit plaatsvindt in groepsverband en ongeacht of de betreffende werknemer al dan niet op de loonlijst van het werkbedrijf is opgenomen, kwalificeert als het bieden van een passende werkzaamheid in de zin van de vrijstelling.
– Indien het begeleidend personeel op de loonlijst staat van de werkmaatschappij en er op het niveau van de GR, naast dat de categorieën A tot en met D hier op de loonlijst staan, geen andere activiteiten worden verricht, zal op het niveau van de GR in beginsel niet worden voldaan aan de werkzaamhedentoets van artikel 5, lid 1, sub c Wet Vpb.

Hoogachtend,
namens de inspecteur
kennisgroep kwalificatie rechtsvormen en belastingplicht

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *