AI-samenvatting
In de casus wordt besproken of een besloten vennootschap (BV) in aanmerking kan komen voor de zorgvrijstelling van de vennootschapsbelasting (Vpb) op basis van artikel 5, lid 1, letter c. De BV verricht meer dan 90% zorgactiviteiten, maar moet ook voldoen aan de winstbestemmingstoets, die vereist dat winsten uitsluitend ten goede komen aan een ANBI of een kwalificerend lichaam. Het Ministerie van Financiën stelt dat de BV geen beroep kan doen op de zorgvrijstelling, ongeacht statutaire bepalingen. De kennisgroep concludeert dat de BV niet voldoet aan de winstklemvoorwaarde, omdat de aandeelhouders geen kwalificerende lichamen zijn. Hierdoor kan de zorgvrijstelling niet worden toegepast.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
AI-samenvatting
In de casus wordt besproken of een besloten vennootschap (BV) in aanmerking kan komen voor de zorgvrijstelling van de vennootschapsbelasting (Vpb) op basis van artikel 5, lid 1, letter c. De BV verricht meer dan 90% zorgactiviteiten, maar moet ook voldoen aan de winstbestemmingstoets, die vereist dat winsten uitsluitend ten goede komen aan een ANBI of een kwalificerend lichaam. Het Ministerie van Financiën stelt dat de BV geen beroep kan doen op de zorgvrijstelling, ongeacht statutaire bepalingen. De kennisgroep concludeert dat de BV niet voldoet aan de winstklemvoorwaarde, omdat de aandeelhouders geen kwalificerende lichamen zijn. Hierdoor kan de zorgvrijstelling niet worden toegepast.
**Casus | 67 Awr |} BV inz zorgvrijstelling Vpb**
aan: 5.1.2e
21-02-2017 11:38
Cc: | 512e 6.1.24 [8.1.22 | |
Beste,
Onder verwijzing naar de eerdere mailwisseling geven wij hierbij een reactie op jullie casus (zie de bijlage).
In het kort samengevat schrijf jij: “In artikel 5 lid 1 letter c lees ik dat de vrijstelling kan gelden voor lichamen. Daarom ook voor een besloten vennootschap. Volgt verwijzing naar artikel 4 uitvoeringsbesluit 1971. Daarin worden twee vereisten genoemd. De werkzaamheidstoets en de winstbestemmingstoets.
De vennootschap zelf verricht voor meer dan 90% zorgactiviteiten. De patiënten zullen het gevoel moeten hebben dat ze bij 1 loket worden geholpen. Zo op het eerste gezicht voldoen ze aan de werkzaamheidstoets welke ook in BNB 2014/144 aan de orde komt. Wat in dit arrest niet wordt beoordeeld is de winstbestemmingstoets; winst en liquidatiesaldo dient uitsluitend ten goede kunnen komen aan een ANBI of 51c lichaam.
In de brief van het NVZ/OMS van 17 december 2013 staat onder 3.2.3. “Het Ministerie is van mening dat de Ziekenhuis BV geen beroep kan doen op de zorgvrijstelling van artikel 5 lid 1 letter c vpb. Dit geldt naar de mening van het Ministerie van Financiën ongeacht hetgeen er statutair geregeld is. Ook als bijvoorbeeld in de statuten winstuitkeringen onmogelijk worden gemaakt of als enkel winstrechtloze aandelen worden uitgegeven.”
Op grond van deze casus heb jij de volgende vragen aan de kennisgroep gesteld (zie ook de bijlage).
Vraag 1: Is dit inderdaad geldend beleid en zo ja; wat is de bijbehorende argumentatie. Ik lees namelijk geen argumentatie terug in bewuste brief.
Vraag 2: is er met de publicatie van bewuste brief een verandering van beleid beoogd? Of is er sprake van bestaand beleid? Ik vraag dit ook omdat bij het belastingplan 2012 (bijlage van in de memorie van toelichting ook vennootschappen zijn vermeld als te beoordelen.
Vraag 3: Indien de antwoorden op vraag 1 en 2 ruimte biedt om de statuten te beoordelen in onderhavige case; Zijn de gevoegde statuten naar de mening van de kennisgroep voldoende strikt om de zorgvrijstelling te mogen toepassen? Of zouden we nog aanvullende eisen kunnen stellen zoals een vervreemding verbod op de aandelen of een vrijwillige afrekening van de reserves bij statusverlies? In BNB 2014/144 lees ik wel dat de rechter afwegingen maakt betreffende de statuten. Hij komt daar qua behandeling niet meer aan toe maar het is dan niet zonder meer zo dat een BV niet kan kwalificeren.
Als we het goed hebben begrepen, gaat het in deze casus om de volgende structuur: de aandelen in een zorg-bv worden gehouden door een holding. De aandelen in de holding worden gehouden door een coöperatie, waarvan uitsluitend huisartsen lid zijn. De vraag ligt voor of er in deze casus aan de winstklemvoorwaarde van artikel 4 UB is voldaan.
Onze conclusie is dat er niet aan deze voorwaarde is voldaan.
—
**Ter toelichting merken wij het volgende op.**
In artikel 5, 1-c, van de Wet op de vennootschapsbelasting is een subjectieve vrijstelling – ook wel aangeduid als de zorgvrijstelling – opgenomen voor lichamen die zich kort gezegd voor tenminste 90% bezighouden met zorgactiviteiten in de zin van deze bepaling. Om een beroep op de zorgvrijstelling te kunnen doen, wordt additioneel de eis gesteld dat de winsten van het lichaam uitsluitend kunnen worden aangewend ten bate van:
(i) het/een lichaam waarop de zorgvrijstelling van toepassing is, of
(ii) een algemeen maatschappelijk belang (artikel 4 UB). Doel van deze in artikel 4 UB opgenomen winstklemvoorwaarde is te waarborgen dat de via de zorgvrijstelling vrijgestelde winsten uitsluitend kunnen worden aangewend binnen de vrijgestelde zorgsfeer of voor een amb.
Artikel 5, 1-c is wet Vpb een zeer oude bepaling (dateert uit midden vorige eeuw) en is geschreven in een periode waarin de taken van ziekenhuizen waren afgebakend en in handen waren van de overheid of private non-profitinstellingen (stichtingen). Kenmerkend bij een stichting is dat deze beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken, waarbij dat doel niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen of anderen. Artikel 5, 1-c Wet Vpb is niet geschreven voor situaties waarbij de zorg wordt verleend vanuit besloten vennootschappen en is daarop dan ook slecht toepasbaar. De regeling van artikel 5, 1-c Wet Vpb staat in beginsel evenwel open voor lichamen als de BV.
Als een BV voor tenminste 90% zorgactiviteiten in de zin van artikel 5, 1-c Wet Vpb verricht, zal de BV echter alleen dán een beroep op de vrijstelling kunnen doen, als:
I) de BV zowel statutair als feitelijk voldoet aan de vereisten van de zorgvrijstelling (waaronder de winstklemvoorwaarde) én
II) de aandelen van de BV (huidig beleid: onmiddellijk) worden gehouden door zogenaamde kwalificerende aandeelhouders. Onder (een) kwalificerende aandeelhouder(s) moet(en) in dit verband worden verstaan: een publiekrechtelijke rechtspersoon, een op de voet van artikel 5, 1-c vrijgesteld lichaam of een anbi-stichting; de aandeelhouder moet (op grond van het huidige beleid) alle aandelen (100%) en zowel de juridische als de volledige eigendom bezitten.
Alleen in de situatie waarin aan bovengenoemde twee vereisten is voldaan, kan voldoende worden gewaarborgd dat de winsten van de BV binnen de vrijgestelde sfeer blijven zoals omschreven in artikel 4 Uitvoeringsbesluit Vpb 1971.
Met het louter via de statuten van de zorg-bv borgen dat de winsten uitsluitend kunnen worden aangewend binnen de vrijgestelde sfeer of voor een algemeen maatschappelijk belang is naar het oordeel van de kennisgroep niet voldoende gewaarborgd dat de winsten van het lichaam ook daadwerkelijk worden aangewend voor de vrijgestelde zorgsfeer of voor een amb. De algemene vergadering van aandeelhouders van de zorg-bv is immers bevoegd de statuten te wijzigen.
Uit het voorgaande volgt dat de winstklemvoorwaarde een beletsel is om de zorgvrijstelling toe te passen in situaties waarin de zorgactiviteiten worden uitgevoerd door een BV, welke deel uitmaakt van een structuur, waarvan de aandeelhouders geen “kwalificerende” lichamen zijn als hiervoor bedoeld.
Conclusie: nu in de voorgelegde zorgstructuur geen sprake is van “kwalificerende” aandeelhouders voldoet de zorg-bv reeds op deze grond niet aan de winstklemvoorwaarde. De zorgvrijstelling kan niet worden toegepast.
We hopen dat het bovenstaande voldoende duidelijk is. Mocht dat niet het geval zijn, neem dan gerust nog even contact met ons op.
Met vriendelijke groet,
namens kennisgroep Belastingplicht
Ministerie van Financiën | Belastingdienst
Postbus 20201 | 2500 EE | Den Haag
E| 5.1.2e @minfin.nl
Geef een reactie